KLASSIEKEN
Nederlandse Letteikvinde
KLASSIEKEN
Nederlandse Letterkunde
REDACTIE:
Dr. P. J. A. M. BUIJNSTERS
Dr. A. VAN ELSLANDER
Dr. W. P. GERRITSEN
Dr. M. H. SCHENKEVELD
Dr. A. KEERSMAEKERS
Dr.J. P. NAEFF
Dr.J. G. STERCK
Uitgegeven in samenwerking met de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
DIEDERIC VAN ASSENEDE
FLORIS ENDE
BLANCEFLOER
Uitgegeven met inleiding en aantekeningen door
J. J. MAK
3de druk/3de oplaag
91005
TjEENK willink/noorduijn, culemborg, 1976
3* oplaag
© 1976 Tjeenk Willink/Noorduijn B.V., Culemborg,
ISBN 90 11 91005 2 Educaboek B.V., Industrieweg 1, Culemborg.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door mid-
del van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm
or any other means without written permission from the publisher.
VOORBERICHT BIJ DE TWEEDE DRUK
Ik heb voor de herdruk van Floris ende Blancefioer dankbaar
gebruik gemaakt van de kritische op- en aanmerkingen van
Dr. C. A. Zaalberg en de correcties en aanvullingen, inz. bij de
inleiding van Prof. Dr. G. De Smet. Ik ben beide geleerden ten
zeerste erkentelijk voor de aandacht aan deze mtgave besteed.
Intussen herhaal ik, wat ik aan 't slot van de inleiding van de
eerste druk schreef: voor serieuze kritiek houd ik mij gaarne
aanbevolen.
VOORBERICHT BIJ DE DERDE DRUK
De derde druk is ongewijzigd .
5
INLEIDING
Floris ende Blancejloer is de middelnederlandse vertaling van
een frans gedicht, waarin de oudste redactie is overgeleverd
van het „meest gelezen verhaal van de Middeleeuwen". De
dichter, wiens schepping zoveel succes heeft geboekt, kennen
wij niet. Hij moet ergens in Noord-Frankrijk hebben geleefd
omstreeks het midden van de 12« eeuw. Zijn Floire et Blanchejlor,
geschreven tussen 1155 en 1173, is slechts bewaard gebleven in
drie veel jongere handschriften, waarin de oorspronkelijke tekst
helaas niet onbedorven tot ons is gekomen ^. Er moeten in de
tijd, dat het oudste handschrift werd geschreven (1288), er ook
nog andere in omloop zijn geweest, die althans op bepaalde
plaatsen een betere lezing hadden. Dat volgt niet alleen uit de
overeenkomstige afwijkingen, die twee of meer bewerkingen in
andere talen gemeenschappelijk tegenover het Frans vertonen,
maar ook reeds uit een nauwkeurige vergelijking van één van die
bewerkingen, zoals de middelnederlandse, met de franse hand-
schriften. In beide gevallen stuit men op motieven of wendingen,
' Hs. A (= Parijs, Bibl. Nat. n». 375, gedateerd 1288), Hs. B (= Parijs, Bibl. Nat.,
fonds francais 1447, beg. 14" eeuw) en Hs. C (= Parijs, Bibl. Nat., fonds franfais
12562, 14' — 15^-eeuw, een slecht afschrift van de redactie in Hs. A); een fragment van
1156 verzen in een redactie, die nu eens met AC, dan weer met B overeenstemt, bevindt
zich in Hs. Vaticaan, Pal. Lat. 1971 (begin 13' eeuw?). Dit zijn de handschriften, die
de zgn. „version aristocratique" of liever „version idyllique" (zie ben.) bevatten. De
tweede lezing, de zgn. „version populaire" of „d'aventures" is slechts in één enkel hand-
schrift overgeleverd, nl. Hs. D (= Parijs, Bibl. Nat., fonds franfais n">. 19152, 13« eeuw),
waarvan een fototypische reproduktie met inleiding is mtgegeven door E. Faral (Parijs
1934). — Beide versies (de „version idyllique" naar Hs. A) zijn mtg^even door Ed.
Du Méril Floire et Blatueflor etc. (Paris 1856) en F. Krüger Li Romanz de Floire et Blan-
cheflor (Berlin 1938), de „version idyllique" alleen en wel naar Hs. A door I. Bekker
Flore und Blanceflor (naar een afschrift van Uhland van Hs. A) (Berlin 1844) en W. Wirtz
Flore et Blancheflor etc. (Frankfurt 1937) (een onbetrouwbare tekst), naar hs. B door
Marg. M. Pelan Floire et Blancheflor, 2' ed. (Paris 1956).
7
die tegenover de corresponderende plaatsen in het Frans een
evident oorspronkelijker indruk maken. Het is jammer, dat
ofschoon de wetenschappelijke belangstelling voor de Floire et
Blanchejior reeds dateert van de eerste helft van de 19^ eeuw,
nog steeds niemand er zich toe heeft gezet de oorspronkelijke
tekst met behulp van de vele middeleeuwse bewerkingen in
andere talen te reconstrueren.
Met des te meer ijver heeft de wetenschap zich geworpen op
het vraagstuk van de oorsprong van het verhaal of, wat op het-
zelfde neerkomt, van de bron of bronnen, die de franse anony-
mus heeft gebruikt. De romantische instelling met haar voor-
liefde voor het oosten heeft de oudere onderzoekers hier echter
veelal op een verkeerd spoor geleid ^. Pleitte men voor een
byzantijnse perzische ^ of arabische * oorsprong, men vond
gerede bijval. De kampioenen voor een autochtone, een
westerse, een franse schepping daarentegen ® kregen geen ge-
hoor of ondervonden felle kritiek. Zo wil nog onze Leendertz *
na kennis genomen te hebben van de theorieën van zijn voor-
gangers, een eigen poging wagen tot oplossing van dit probleem.
Hij gaat daarbij zeer serieus te werk, d.w.z. hij onderzoekt stuk
voor stuk de opeenvolgende motieven, waarop de roman is
gebouwd. Maar het ontgaat hem ten enenmale, dat hij juist
bij dit bronnenonderzoek de dupe wordt van de eenzijdige
„oriëntatie" (dit woord hier letterlijk te nemen als „oosterse
gerichtheid") van de 19^-eeuwse romanisten. Zo was hem.
— om een zeer belangrijk motief te nemen — het zich verbergen
van de minnaar in een mand om zo bij de geliefde biimen te
dringen uitsluitend uit de oosterse literatuur bekend. Waren
' Een overzicht van de theorieën tot het begin van deze eeuw gaf J. Reinhold Floire
et Blanchejior (Paris 1906), een beknopte samenvatting bij Leendertz in de inleiding tot
zijn nog te noemen uitgave van de mnl. bewerking blz. XL e.v.
* Ed. du Méril in de inleiding tot zijn uitgave (zie noot 1 op blz. 1).
' \. Pizzi Le Somiglwnze e Ie Relazioni tra la Poesia Persiana et la nostra del Medio Evo
in Mem. d. Rcale Acad. d. Scienze di Torino, Ser. seconda, Tomo XLII (1892) p. 253 seg.
* G. Huet Sur l'origine de Floire et Blanchefteur in Romania 28 (1899) p. 348 suiv.
• A. Ch. Gidel Etudes sur la littérature grecque moderne (Paris 1856) p. 246 suiv. ; in
zekere zin ook Reinhold (zie noot 2).
• P. Leendertz Jr. Floris ende Blancefioer van Diederic van Assenede (Leiden 1912), Inl.,
blz. XLVm e.v.
8
zijn voorgangers dichter bij huis gebleven, ze zouden hebben
opgemerkt, dat dit motief zelfs het centrale thema vormt van
een der fabliaux ^. Spargo, die er een opzettelijk onderzoek naar
heeft ingesteld ^, komt dan ook tot de conclusie, dat het in het
westen voldoende verbreid was en een frans dichter er niet buiten
de eigen cultuurgemeenschap naar behoefde te gaan zoeken.
Wanneer men ons verhaal rustig leest en daarbij opmerkt,
hoe christelijk de wereld is, waarin het speelt — ik herinner
slechts aan het zweren op relieken, het optreden van een
„bisschop" in de raad van de emir, het huwelijksceremonieel
in een „munster" — hoe on-, ja anti-mohammedaans het in dat
mohammedaanse, overigens nauwelijks localiseerbare oosten
toegaat — men denke aan de vulgair-westerse opvatting van
het polytheïsme der (streng monotheïstische) Arabieren, hoe
onwezenlijk dat „Babylonië" er uit komt te zien in de ogen
van de dichter, die twijfelt niet, of Lozinski heeft het juiste
getroffen, toen hij de Floire et Blancheflor een oorspronkelijke
franse schepping noemde met wat primitieve „turquerie" ^.
Binnen de westerse cultuurgemeenschap is er eveneens, zij
het minder fel, gestreden over de oorspronkelijkheid, althans
onafhankelijkheid van Floire et Blancheflor ten opzichte van
andere romans op het thema van de liefde tussen christen en
heiden. Meer bepaald heeft de verhouding tot Aucassin et
Nicolete de pennen in beweging gebracht. Totdat ook in deze
het onderzoek van de laatste decennia uitkomst bracht. De tal-
rijke voorbeelden van deze liefde, die Scheludko bijeen heeft
geplaatst *, hebben de jongste uitgeefster van onze roman ^ er
van overtuigd, dat in elk geval aan dit argument van de afhan-
kelijkheidstheorie geen enkele waarde mag worden toegekend.
* Recueil général. el complet des fabliaux des XlIIe etXIVe siècles, uitg. d. A. de Montaig-
lon en G. Raynaud, t. 2, p. 183 suiv.
' J. W. Spargo The Basket incident in Fl. and BL, in Neuphilol. Mitteilungen 28 (1927)
p. 69 seq.
' In Literaturblatt fin germanische und romanische Philologie 1942, p. 39 suiv.
* Zur Entstehungsgeschichte von Aucassin et Nicolete in Zeitsch. fiir romanische Philologie
42, S. 458 ff.
' Marg. M. Pélan in de Introduction van haar in noot 1 op bk. 1 genoemde uitgave,
p. XXVI.
9
Wanneer hier gesproken wordt van Floire et Blancheflor, dan
is daarmee een bepaalde redactie bedoeld, die de oudere onder-
zoekers karakteriseerden als „version aristocratique". Daarnaast
kent de franse literatuur nog een tweede lezing, eertijds „version
populaire" genoemd. De verhouding van deze twee redacties,
door Margaret Pélan onderscheiden met de juistere namen
„roman idylHque" en „roman d'aventures" is nog niet geheel
opgehelderd. De auteur van de tweede was stellig minder be-
gaafd. Zijn werk wordt gekenmerkt door veelvuldige herhalin-
gen, langdradige scènes, inconsequenties en onwaarschijnlijk-
heden, slechte motivering der handelingen en niet-organische
invoeging van bepaalde episoden ^. Het is echter de vraag, of
die ongerechtigheden wel alle op zijn rekening komen, of hij
niet uit de bewerkingen van de eerste versie, die inmiddels in
andere landen en andere talen het licht hadden gezien, het een
en ander heeft overgenomen. In deze inleidii^ tot de middel-
nederlandse bewerking van de roman kunnen wij dit probleem
echter gevoeglijk laten rusten. De Vlaming immers, die de
Floire et Blancheflor voor een dietssprekend pubUek toegankelijk
heeft gemaakt, kende uitsluitend de „aristocratische" of Uever
dus de „idylUsche" lezing. De tweede is trouwens gedurende de
Middeleeuwen in het geheel niet tot ons taalgebied doorge-
drongen. Ze verbreidde zich ongeveer uitsluitend naar het
oosten en zuiden, naar Italië ^, Griekenland * en Spanje *. De
1 Pélan p. XII-XIII.
' T.w. ten eerste in een gedicht uit het begin van de 14« eeuw, uitg. d. E. Hausknecht
in Archiv fiiir das Studium der neueren Sprachen und Literaturen 71 (1884) S. 1 ff en
door V. Crescini II cantare di Fiorio e Biancifiore (Bologna 1889, '99) en vervolgens in
de Filocolo van Boccaccio (!■= druk Venetië 1472, door Lod. Dolce in 1532 berijmd en
voorts vertaald in het Frans en Engels), waarop teruggaan 1. een duitse novelle van
1499 (die weer aanleiding heeft gegeven tot het spel van Hans Sachs in Keilers uitgave
(Tiibingen 1874) VIII, S. 300 ff), 2. een tsjechische prozabewerking (zie Hausknecht
S. 14 ff).
^ In een gedicht uit de 14« eeuw, uitg. d. I. Bekker in Abhandl d. Kon. Akad. d. Wiss.
zu Berlin 1845 en d. W. Wagner Medieual Greek Texts (London 1870).
* In een volksboek van 1512 (zie Hausknechts in noot 14 genoemde publikatie
S. 50 ff), dat meermalen in het Frans is vertaald (zie Leendertz a.w. biz. XXVIII), waar
nog gesproken wordt over de nog niet nader onderzochte hebreeuwse en joods-duitse
bewerkingen, alsmede over jongere en vrijere navolgingen, zoals de Leggenda della
Reina Rosana.
10
idyllische versie daarentegen trok naar de germaanse landen,
naar Duitsland ^, Engeland ^, Skandinavië ' en Nederland.
De middelnederlandse rijmbewerking is ons vrijwel compleet
overgeleverd in een 14^-eeuws handschrift in het bezit van de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde *, terwijl een aantal
fragmentjes, tezamen 472 versregels tellende, in het midden
van de vorige eeuw ter beschikking stonden van J. A. Alber-
dingk Thijm, die ze uitgaf in de Dietsche Warande en die
bijna een eeuw zoek, thans weer teruggevonden, berusten in de
bibHotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde,
die ze onlangs heeft aangekocht. Het handschrift van de Maat-
schappij, dat we verder A zullen noemen, heeft een betere tekst
dan de fragmenten-Thijm, in het vervolg met B aangeduid.
Leendertz, die de laatste wetenschappeHjke uitgave bezorgde
van Floris ende Blancefloer *, noteerde slechts een vijftal plaatsen,
waar B de voorkeur verdient. Zelf heb ik daar nog enkele aan
' Daar is ten eerste de zgn. Trierer Floyris, een fragment met voorbehoud gedateerd
op 1170, uitg. d. E. Steinmeyer in Zeitschr. für deutsches Altertum21 (1877) S. 307 ff,
waarvan de plaatsbepaling opzettelijk aan de orde is gesteld door G. De Smet in Fest-
schrift für Ludwig Wolff, herausg. v. W. Schröder (Neumünster 1962) S. 203 ff; zie ook
dez. J. van Mierlo en het Veldekeprobleem (Gron. 1963) blz. 12 e.v. (blijkens noot 39 op
blz. 22 bereidt De Smet een nieuwe uitgave voor), vervolgens de niiddïlhoogduitse
bewerking (in hoofse stijl, herinnerend aan Hartman von Aue) door Konrad Fleck
Floire und Blantscheflur (ca. 1220), uitg. d. E. Sommer (Leipzig 1846) en d. M. W.
Golther in Deutsche National Literatur IV, 2; Bruchstücke v. Fleck's Fl. u. BI. werden uitg.
d. C. H. Rischen (Heidelberg 1913) ; (een gemoderniseerde uitgave bezorgde J. Ninck
in 1924), waarvan een latere prozabewerking (1475) is uitg. d. Herzog S. 82 ff. — De
ripuarische fragmenten, uitg. d. H. Schafstaedt Die Mülheimer Bruchstüke von Flors und
Blanzeflors (Mülheim-Rhein 1906) en de mnd. Flos unde Blankeflos, laatstelijk uitg. d.
O. Decker (Rostock i. M. 1913) zouden volgens H. Teske in Korrespondenzblatt d.
Vereins f. niederdeutsche Sprachforschung 51 (1938) S. 61 ff teruggaan op een be-
kortende bewerking van Diederic van Assenede, die dan verloren is gegaan.
2 Floris and Blancheflour (ca. 1250), uitg. d. E. Hausknecht (Berlin 1885) en d. A. B.
Taylor (1927).
' T.w. de uoorse proza-bewerking Flores saga ok Blankiflur (beg. 14' eeuw), uitg. d.
E. Kölbing (Halle 1896), de Zweedse Flores och Blanzeflor (beg. 14« eeuw), uitg. d.
G. E. Klemming (Stockholm 1844) en de deense 15'-eeuwse rijmbewerking uitg. d.
C. J. Brandt Romantisk Digtningfrc middelaldren (Kopenhagen 1869 — '70).
* N". 191, fol. 33-58 (zie Bouwstoffen n". 433).
= Deel 1 (1885) blz. 493 e.v. (zie Bouwstoffen n". 390, 10 en n". 435).
' Zie noot 6, blz. 8. Deze uitgave berust op hs. A met vermelding van de varianten
van hs. B. Vóórdien bezorgen H. Hoffmann von Fallersleben in het 3" deel van zijn
HoraBelgicae (Leipzig 1836), uitsl. naar A en H.E. Moltzer in de Bii/ior/ieefe f an de Middel-
nederl. Letterkunde (Groningen 1879), naar A, maar met de spelling van B, uitgaven, die
na die van Leendertz als verouderd moeten worden beschouwd.
11
toegevoegd, ter plaatse in de aantekening vermeld, maar wan-
neer ik die meetel, blijft het aantal toch nog beneden de tien,
zodat de superioriteit van A er wel aUerminst door wordt aan-
getast. Intussen bevat A, al biedt het een betere tekst dan B,
gemszins het oorspronkelijke, ongerepte werk van de dichter.
Dat blijkt al dadelijk, wanneer men de tekst van de handschriften
vergelijkt met die van het volksboek, d.w.z. van de prozabe-
werking, die naar het gedicht in het begin van de 16^ eeuw werd
vervaardigd, althans gedrukt^ en die op verscheiden plaatsen
een oorspronkelijker indruk maakt dan A of B. De bewerker
van het volksboek moet dus beschikt hebben over een tekst van
ons gedicht, die althans van een aantal verzen een betere redactie
had bewaard
Zoals dat meer voorkomt in onze middeleeuwse literatuur,
maakt de dichter zichzelf in zijn werk bekend. Hij zegt in
VS. 22-3:
Hets worden herde te sure
Van Assenede Diederike,
d.w.z. dat de vertaUng van de franse roman hem, Diederik
van Assenede, zwaar is gevallen. Zoals men ziet, noemt hij alleen
* Een fragment van twee bladen van een editie ca. 1517 (zie Nijhoff-Kronenberg n».
3160) is uitg. d. W. L. de Vreese in Tijdschr. v. Ned. Taal- en Utt. 15 (1896) blz. 277 e.v.
en door Boekenoogen in zijn aanstonds te noemen uitgave blz. 49 e.v. De volledige
tekst naar de editie 1642 bij Ot Barentsz. Smient te Amsterdam is uitg. d. G. J. Boeken-
oogen De Historie van Floris ende Blancefleur in de reeks Nederlandsche Volksboeken dl.
II (Leiden 1903). Voor veronderstelde tussenliggende edities zie Luc. Debaene De
Nederlandse Volksboeken (Antwerpen 1951) blz. 53, voor de editie Antwerpen 1576
A. Viane in Volkskunde 55 (1954) blz. 171 e.v. ; een uitgave bij Maria Anxt te Antwer-
pen uit het midden van de 16* eeuw wordt vermeld in een inventaris, gedrukt in Leu-
vense Bijdragen 45 (1955) blz. 143. — De suggestie van Anna Bijns' auteurschap van
het volksboek (in een vraag bij J. v. Mierlo Gesch. v. d. Letterk. der Ned. 2, 2= dr. blz.
275), opzettelijk aan de orde gesteld door Luc. Debaene Rederijkers en Prozaromans in
De Gulden Passer 27 (1949) blz. 1 e.v. in zijn De Nederlandse Volksboeken blz. 48 e.v.
werd bestreden door L. Roose in het Jaarboek van De Fonteine 1950, blz. 42 e.v. — Voor
de bekendheid van het volksboek aan Vives in 1523 zie Debaene a.w. blz. 50, de ver-
melding in de Nieuwe Refereinen van Anna Bijns enz., uitg. d. W. J. A. Jonckbloet en
W. L. V. Heiten (Gent 1886) 88, d (1528), kan ook een reminiscentie aan het gedicht
of de stof zijn.
' G. Penon heeft — op grond van een uitgave van het volksboek van 1827 — een
aantal tekstverbeteringen in het gedicht aangebracht in Taal- en Letterbode 6 (1875)
blz. 50 e.v.
12
zijn naam en niets meer. Dat is jammer, want er blijken in de
13® eeuw heel wat lieden te hebben geleefd, die zo heetten.
Vrij algemeen neigt men er echter toe onze dichter te vereen-
zelvigen met Dierekin de Hassenede, die in verschillende oor-
konden uit de tweede helft en meer bepaald het derde kwart
van de 13^ eeuw „clerc" van de graven van Vlaanderen wordt
genoemd Hij zou dan van ca. 1230 tot ca. 1290 geleefd en
de Floire et Blanchejlor omstreeks 1260 vertaald kunnen hebben.
* *
♦
Het is niet eenvoudig thans na zeven eeuwen een billijk
oordeel te vellen over Diederics litteraire prestatie. Laten we
beginnen met te erkennen, dat hij succes heeft gehad. Nog niet
eens zo zeer misschien in zijn eigen tijd. Vage en trouwens
dubieuze reminiscenties aan zijn werk heeft men alleen in Jacob
van Maerlants Alexander en het gedicht Van der Feesten ^ aan-
getroffen. Maar een opzettehjk onderzoek naar de bekendheid
en de invloed van Floris ende Blancefioer in de middelnederlandse
letterkvinde, zoals M. Delbouille heeft gedaan van het franse
dichtwerk is nog niet ingesteld. Tot zo lang zullen we ons
dus van een definitief oordeel moeten onthouden. Wel kan met
zekerheid worden gezegd, dat via het volksboek * de liefdes-
' De oorkonden zijn uitgegeven d. C. P. Senrure in zijn Vaderlandsch Museum 2
(1858) blz. 333 e.v., 5 (1863) blz. 357 e.v. en in de Verslagen van de Kon. Vlaamse Academie
van 1901, II, blz. 40 e.v. Het voornaamste daaruit bij Leendertz in zijn inleiding op de
uitgave van Floris ende Blancefioer blz. CXVII-CXVIII.
' In Alexanders Geesten 8, vs. 103 is sprake van „Blancefloer die vrouwe van Spanien"
en in Vander Feesten, een proper dinc vs. 194 van „Floris".
* M. Delbouille A propos de la patrie et de la date de Fl. et BI., in Mélanges Roques 1952,
IV, p. 53 suiv.
* Wellicht ook via het toneel, al bezitten we slechts één vermelding, t.w. in de stads-
rekeningen van Brussel van 1483 (uitg. in Vaderlandsch Museum 5, blz. 11) betreffende
de „ghesellen" van Deinze, die voor de Halle te Brussel „een groet spel van Florysse
ende van Blancefloere" vertoonden. De opvoeringen in een der amsterdamse volks-
schouwburgen in 1860 en '61, waarover geen nadere gegevens ter beschikking staan
(zie Leendertz blz. XIX) buiten beschouwing gelaten, kennen wij de vertoningen te
Utrecht in 1940 en Gent in 1944 naar de toneelbewerking van P. de Keyser in 1939
volgens de roman voor de Gezellen van 's-Gravensteen vervaardigd (Amsterdam 1940).
— Het historielied blijkt u^t het Hoogduits te zijn vertaald (Leendertz blz. XXII-
XXIII).
13
idylle van roos en lelie in de Nederlanden tot in de 19<= eeuw
bekend is gebleven. En niet zodra is het getij der volksboeken
verlopen, of de moderne bewerkingen verschijnen ^ en de
wetenschappelijke uitgaven ^.
Wat heeft de lezers in ons verhaal nu zo geboeid? Men kan
van mening zijn, dat de franse dichter van de idyllische versie
tussen 1160 en '70 een typisch modeboek heeft geschreven en
dat de opgang, die zijn werk maakte, verklaard moet worden
uit de bewondering voor het praalzuchtige oosten, die door de
kruistochten was gewekt ^. Maar de blijvende belangstelling
voor deze romantische stof is daarmee nog niet opgehelderd.
Ik geloof, dat wij de oorzaak daarvan moeilijk ergens anders
kunnen zoeken dan in het thema en de motieven van de roman
zelf, waarin het eeuwig-menselijke de boventoon voert over
al het bijkomstige, aan de tijd gebondene. Het behagen, dat de
general reader van welke tijd ook schept in een levendige en
vlotte vertelling, vooral wanneer die betrekking heeft op een
Üefdesgeschiedenis met gelukkige afloop, dat alleen, dacht ik,
kan het succes van deze roman verklaren. De boodschap van
de soevereiniteit der liefde, betrekkelijk nieuw in 's dichters
* T.w. een prozavertaling van vs. 1-1371 met een korte samenvatting van de rest
door J. Tideman (uitg. in Werken van Oefening kweekt Kennis 1847 — '48, blz. 106 e.v.,
herdrukt in Studiën en Schetsen ('s-Gravenhage 1892) blz. 1 e.v.) en een prozabewerking
vanj. A. Alberdingk Thijm (uitg. in zijn Karolingische Verhalen, 1« dr. 1851, blz. 321 e.v.
(met inleiding), 2^ dr., 1873 en 3« dr., 1884, blz. 205 e.v. (zonder inleiding), minder
uitgebreid en met een aantal weglatingen ook in De Gids 1850, I, blz. 451 e.v. — Een
moderne bewerking in verzen schreef H. J. Boeken De historie van Floris en Blanchefloer
(Ie dr. Amsterdam 1898). — Min of meer voor schoolgebruik bestemd is de proza-
bewerking van D. L. Daalder Floris en Blancefloer verschenen in de reeks „Oude ver-
halen naverteld" (Gouda 1924).
^De uitgave van Hoffmann von Fallersleben dateert reeds van 1836; zie voor deze
uitgave en de eerstvolgende van Moltzer noot 6, blz. 11. Voornamelijk voor het school-
onderwijs bestemd zijn de verkorte uitgaven (naar Leendertz) van H. de Waard Floris
ende Blancefloer. Een Oostersche roman, verschenen als n° 18 in de reeks Nederlandsche
Schrijvers (Zwolle 1926), W. L. D. van den Brink Floris ende Blancefloer door Diederic
van Assenede (in moderne spelling en soms ook woordenkeus) verschenen als n". VIII
in de reeks Lyceum-herdrukken (Groningen, enz. 1932, met illustraties naar de hout-
sneden van het volksboek) en van P. de Keyser Floris ende Blancefloer. Een middeleeuwse
idylle, verschenen als n°. VI in de reeks Klassieke Galerij (Antwerpen 1945). Een frag-
ment (vs. 2866-eind) in moderne spelling, met aantekeningen, nam J. A. N. Knuttel
op in zijn Ridderverhalen uit de Middeleeuwen I (Amsterdam 1940) blz. 129 e.v.
» Pélan a.w. p. XXIII.
14
tijd, is zoals ze hier wordt gebracht, eigenhjk nooit verouderd'
nooit achterhaald. De Floris ende Blancefloer staat daarin niet
alleen. Hij heeft voorgangers gehad en navolgers gevonden.
Maar, ofschoon niet eens een meesterwerk in het genre, onze
idylle heeft het — en dat kan ik niet verklaren — van alle andere
in populariteit gewonnen.
Ook wie zich aan een oordeel waagt over de middelneder-
landse bewerking van Diederic van Assenede, mag de stof niet
buiten beschouwing laten. Ook de lezer van de vertaling — en
het pleit voor die vertaling — komt onder de bekoring van
„dieser aus lauter Blüthenduft und Farbenglanz gewobene
StoflF" (Hofïmann von Fallersleben). Het volk althans, want de
geletterden schijnen pas sinds de Romantiek een gevoelig orgaan
daarvoor gekregen te hebben. In de tijd, dat men nog niet ge-
loofde in een middelnederlandse dichtkunst (om met Jonckbloet
te spreken), noemde een man als Witsen Geysbeek onze Floris
ende Blancefloer „een allerellendigst voortbrengsel uit de tedere
kindschheid onzer letterkunde, een walglijk wanschepsel". Geen
wonder, dat met Hofïmann von Fallersleben, die we zojuist
aanhaalden, en Paulin Paris, die de franse roman („un charmant
poème") tot de aantrekkelijkste middeleeuwse gedichten reken-
de, de schaal naar de andere kant doorsloeg. Zelfs Jonckbloet
is — tegen wil en dank — een romanticus, wanneer hij Gervinus'
misprijzing van het gedicht als niets meer dan ontspannings-
lectuur laakt 1. De Romantiek immers heeft eens voor al af-
gerekend met de nutte lering als voorwaarde voor de kunst.
Ook Jonckbloet erkent slechts esthetische maatstaven. Als man
van beschaving — waartoe toch ook weer de Verlichting het
hare heeft bijgedragen — acht hij, anders dan de volbloed-
romantici, Floire et Blancheflor superieur aan de oudere Karel-
en Arthurromans, inzoverre de held geen razende Roeland
meer is, geen wilde houwdegen, die van het ene gigantische
gevecht in het andere valt, maar een gewoon mensenkind,
vervuld van de menselijke hartstocht bij uitnemendheid, de
liefde.
' Geschiedenis der middennederlandsche dichtkunst 2 (Amsterdam 1852) blz. 228 e.v.
15
List wint het van geweld, krachtpatserij en dadendrang hebben
plaatsgemaakt voor gevoel en sentimentaliteit. Op de list oefent
Jonckbloet geen kritiek. Hij vraagt niet, of ze op de keper
beschouwd moreel wel door de beugel kan, maar voor de
sentimentaliteit koestert hij geen onverdeelde bewondering. Is
hij bereid het innige gevoel, de eenvoudige onschuld en het
ontroerende van de situatie als evenzovele deugden van onze
roman te roemen, de betrekkelijke onbeduidendheid van de
held, die aldoor zucht en weent, anderen voor hem laat denken
en handelen en door de liefde tot geen enkele grootse daad
wordt vervoerd, wat de dichter nauwelijks door Floris' jeugdige
leeftijd aanvaardbaar heeft gemaakt, vindt Jonckbloet minder
gelukkig. Ja, hij meent, dat de anonieme Fransman zijn werk
niet heeft kunnen vrijwaren voor een zekere eentonigheid. Met
het gebrek aan diepte heeft hij die monotonie willen compen-
seren door enkele weelderige beschrijvingen, zoals het graf van
Blanceflcer (zie vs. 886 e.v.), het paard van Floris (zie vs. 1487
e.v.) en de „toren" van de emir (zie vs. 2383 e.v.), die echter als
„hors d'oeuvre" buiten de gang van het verhaal staan. Ook de
opvoeding der kinderen, die de ars amandi uit Ovidius leren
en in het Latijn met elkaar converseren, maakt geen prettige
indruk. Daartegenover staat dan weer een meesterschap in de
vertelkunst, wat gepaard aan de liefeHjkheid van de stof de
populariteit van de roman voldoende verklaart.
Valt Jonckbloets oordeel over Floire et Blancheflor, wanneer
men de lof en de kritiek tegen elkaar afweegt, zeker niet on-
gunstig uit, voor de middelnederlandse bewerking heeft hij
geen goed woord over. HofFmann von Fallersleben had het
Diets boven het Frans gesteld. Diederic van Assenede „heeft
door zijne eigenaardige behandeling van het waalsche origineel
uit den Flore et Blanchefleur een nieuw, een nog schooner, een
echt hollandsch gedicht geschapen." Geen enkel middel-
nederlands dichtwerk zou het kunnen evenaren in liefelijkheid
van inhoud en volmaaktheid van taal en voorstelling. Tegen-
over deze opvatting, die werd gedeeld door J. A. Alberdingk
Thijm, Matthijs de Vries, Snellaert en anderen, stelt Jonckbloet
16
na vergelijking van Diederics werk met het franse voorbeeld,
dat de middelnederlandse vertaling de krachten van de dichter
te boven ging. Hij was in het Frans geen „heksenmeester", hij
offerde de logica, eenheid en consequentie vaak op aan het rijm.
En daarbij miste hij nog — getuige de bandeloze willekeur in
de versbouw — elk ritmisch gevoel. In beknopter vorm heeft
Jonckbloet deze bezwaren herhaald in zijn later verschenen
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde^. AUeen zijn oordeel
over Diederics ritmiek is iets minder ongunstig geworden,
omdat Alberdingk Thijm intussen een aantal fragmenten had
gepubhceerd naar een ander handschrift 2, dat op verscheiden
plaatsen een betere lezing moet hebben gehad.
Veel milder is het oordeel van Kalff in het twintig jaar later
verschenen eerste deel van zijn Geschiedenis ^. Diederic van Asse-
nede heeft het UefeUjk en schoon frans gedicht omgewerkt tot
een bekoorUjk en mooi nederlands berijmd verhaal, dank zij
vooral zijn ideaUstische opvatting van de Uefde. Zeker, er zijn
onwelluidende en buitensporig lange verzen, de Vlaming heeft
geworsteld met de taal, maar dat neemt niet weg, dat zijn werk
op menige plaats de vergeUjking met het oorspronkelijke veüig
kan doorstaan. Waar hij zelfstandig te werk gaat, in zijn per-
soonlijke uitbreidingen bijvoorbeeld, is hij beter dan elders.
Maar ook de vertaling zelf maakt over het geheel een gunstige
indruk. De naïeve bevalligheid van het origineel heeft de be-
werker goed gevoeld en voortreffeUjk verdietst.
Dan verschijnt in 1912 de ideale uitgave van Leendertz met
een inleiding van 125 bladzijden, waarvan een tiental zijn gewijd
aan de waardering. Had Jonckbloet de staf gebroken over
Hoffinaim von Fallersleben's uitgave en zijn overdreven lof-
prijzing van Diederics vertaling, Leendertz wijst erop, dat het
de Duitse geleerde is geweest, die ook weer voor dit middel-
nederlandse dichtwerk het eerst de belangstelling van onze land-
genoten heeft gewekt, wat o.a. aan een Huydecoper niet was
• Deel I, derde druk (Groningen 1884) bk. 366 e.v.
*Zie noot 5, Wz. 11.
• Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde 1 (Groningen 1906) bk. 116-7.
17
gelukt^. Vervolgens gaat hij nader in op Jonckbloets verwijt
van onvermogen aan het adres van de vlaamse omwerker.
Doordat Leendertz de beschikking had over zeer veel verge-
Ujkingsmateriaal — hij had niet alleen het Frans naast zich,
maar ook de duitse, engelse en skandinavische vertalingen —
kon hij niet alleen aantonen, dat Diederic van Assenede ten
onrechte van een aantal taalfouten w^as beschuldigd, maar
tevens dat geen enkele andere bew^erker het oorspronkelijke zo
trouviT naar inhoud en vorm heeft w^eergegeven. Ondanks vele
bekortingen is het gedicht toch een duizend verzen langer
geviTorden, maar dat kan moeiHjk anders bij een rijmvertaling.
Inderdaad heeft Diederic enkele plaatsen niet begrepen, maar
daar staan vele andere tegenover, w^aar hij een juist inzicht toont.
Bepaaldelijk bij de duitse bewerking van Konrad Fleck steekt
de middelnederlandse berijming zeer gunstig af Het tere,
idyllische van de franse roman is bewaard, de taal is beschaafd
en goed verzorgd, het resultaat is een vloeiend en welluidend
verhaal.
Als dichter slaat Leendertz de Vlaming evenals Jonckbloet
niet hoog aan, maar nu minder uit hoofde van de onregelmatige
versbouw, die Leendertz zeer consciëntieus heeft getracht te
verklaren^, dan wel van de vele stoplappen, herhalingen en
wijdlopigheden — hij had er het beperkte vocabulair en de
vele hinderhjke parallellismen nog bij kunnen voegen — , die
overigens bij 's dichters vlotte, aangename verhaaltrant ge-
makkeHjk over het hoofd worden gezien en pas opvallen bij
nauwkeurige lezing of vergeHjking met het Frans. Tenslotte
moet toch ook Leendertz toegeven, dat een goed deel van de
verdiensten van Floris ende Blancefloer schuilt in het oorspronke-
lijke verhaal, uitsluitend gebouwd als dit is op het oer-menseUjke
thema van de Uefde. Terecht corrigeert hij hier KalfF, wiens
„lie(desidealisme" hij vervangt door „beschaafd realisme".
' Zie de inleiding tot zijn uitgave blz. XVII e.v.
* D. van Assenede schijnt korte verzen te hebben afgewisseld door lange, die overigens
steeds talrijker worden. Het meest metrisch is de voorrede, die hij het laatst zou hebben
gedicht (blz. LXXXI e.v.).
18
De oordeelvellingen van de jongere literatuurhistorici brengen
zo goed als geen wijziging meer in het door Leendertz geschetste
beeld. Jan te Winkel spreekt uiterst sober van een „prijzens-
waardige vertahng van de bekoorUjk-idylHsche, schoon enigs-
zins sentimentele geschiedenis" van Floris ende Blancefloer ^.
Lof en kritiek voor de oorspronkehjke roman en de middel-
nederlandse bewerking zijn nadien gemeengoed ^. Aan de ,4osse
versbouw" meent alleen Van Mierlo een argument voor de
datering te kxarmen ontlenen. Hij zou het verval aankondigen
en dus op het eind van de 13^ eeuw kunnen wijzen. Ik meen,
dat wij er beter een persoonlijke onhandigheid van de dichter
in kunnen zien en de datering op ca. 1260 handhaven, een datum
waarop volgens Leendertz ook de taal schijnt te wijzen.
★ ★
♦
Tenslotte een enkel woord over deze uitgave. In de reeks
der „Klassieken uit de Nederlandse Letterkunde" past geen
voor vakgeleerden bestemd commentaar. Aan de tekst van
Leendertz, die ongewijzigd en onverkort is overgenomen, heb
ik slechts een aantal noten toegevoegd, die de lezer willen
helpen bij het lezen. Ze zijn allerminst bedoeld om hem Middel-
nederlands te leren. Ze Wlen alleen voor misvatting behoeden.
Ik heb het voor dit doel nuttig geacht soms gehele versregels,
ja een enkele keer zelfs twee of drie opeenvolgende in modem
Nederlands weer te geven. Misschien is het een eigenaardigheid
van deze tekst, maar het komt nog al eens voor, dat opheldering
van een of twee woorden in een zin de bedoeling van het geheel
nog volstrekt niet duideUjk maakt. Begrijpt men b.v. de
vss. 1192-3
Ic sal mi harde cume verhoren,
In sal di soeken ende vinden gereet,
' De ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde I. 2« dr. (Haarlem 1922) blz. 328
e.v.
* Zo b.v. J. A. N. Knuttel in de inleiding van zijn Ridderverhalen (zie noot 2, blz. 14)
blz. XIH; vg. ook dez. Onze Letteren in de Middeleeuwen (Amsterdam-Antwerpcn 1958)
blz. 42 e.v.. De Keyser in de inleiding van zijn in noot 2. blz. 14 genoemde uitgave,
J. V. Mierlo in de Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden, I, 2« dr. ('s-Hertogen-
bosch-Brussel z.j.) blz. 176-7.
19
wanneer men weet, dat harde — zeer, mme = nauwelijks, ver-
horen = ophouden engereet — aanstonds? Of zijn de vss. 2583-9
Daer boven staet ghewassen een boom:
Diere so na comet, dat hiere nemet goom,
Dats no loghen no fabele gheveinst.
Dat hi nemmer die varwe ghepeinst,
No nemmer die varwe can ghenomen,
Hi en magher sien also ghedaen blomen
volkomen opgehelderd met een verklaring van de woorden
ghewassen = gegroeid, nemet goom — waarneemt, ghenomen
noemen en also ghedaen = zulke?
Mijn weergave zal de vakgenoot soms zeer vrij, wellicht te
vrij voorkomen. Indien hij echter de moeite neemt mij na te
rekenen, zal hij ontdekken, dat ik de werkeUjke bedoeling van
de dichter toch zo dicht mogeUjk heb trachten te benaderen.
Het misschien op het eerste gezicht bevreemdende van enkele
van mijn vertalingen schuilt hierin, dat ik gezocht heb naar
moderne equivalenten van de middelnederlandse zinswendingen
en uitdrukkingen. Uiteraard kan ik mijn interpretaties niet
motiveren; nog minder leent de reeks der „Klassieken" zich
tot polemiek. Ik kan de lezer alleen de verzekering geven, dat
ik mijn verklaringen zorgvuldig heb overwogen. NatuurUjk
kan ik, als iedereen, me hier of daar hebben vergist. Voor seri-
euze kritiek houd ik mij dan ook gaarne aanbevolen.
20
Nu hoert na mi, ic sal beghinnen
Ene aventure tellen van minnen,
Die den dorperen no den doren
Niet bestaet, dat sise horen.
5 Maer die redene merken connen
Ende van minnen hebben ghev^^onnen
Beide bliscap ende rouv^^e,
Sijt clerc, zijt leec, zijt hoefsche vrouv^^e.
Dien annics datter v^^ese bi
10 Daer dese aventure vertellet si.
Oec en wilHcs niet verbieden
Te hoeme allen hoefschen Heden,
Die evel ende ghoet bekinnen.
Hets al van ener ghestadegher minnen,
15 Beide van bliscapen ende van rouwen.
Nu merct, ghi heren ende ghi vrouwen.
Dies heeft die minne vremden zede.
Dat haer die rouwe volghet mede.
1 Nu : nu dan, vooruit (stereotiep woord
ter inleiding of opwekking tot luisteren) ;
hoert: De bedoeling is, de suggestie wordt
althans gewekt, dat de dichter zijn werk
voordraagt (vg. vertellet in vs. 10) ; na ; naar.
2 aventure : verhaal ; tellen : vertellen.
3 dorperen : onbeschaafden ; no : noch ;
doren: dwazen (misschien mogen we
dorperen en doren (vg. 1007) opvatten als
een hendiadys: dwaze dorpers).
4 bestpet : betaamt, past.
5 die redene merken connen : die verstand
bezitten (i.t.t. de „dwaze dorpers").
6 ghewonnen : ondervonden.
7 Beide . . . ende : zowel ... als ; rouwe :
verdriet.
8 Sijt: zij het, versta; of het is; clerc:
geleerde; leec: ongeleerde.
9 annics: gun ik (het), zou ik wensen.
10 aventure : Zie de aant. bij 2.
12 hoeme : horen.
Yievel: kwaad; bekinnen: kennen, kun-
nen onderscheiden.
14 ghestadegher : standvastige.
15 die zowel smart als vreugde met zich
bracht.
16 Nu : Zie de aant. bij 1 ; merct : verstaat.
17 Dies: daarin (t.w. Dat haer die rouwe
volghet mede) ; vremden zede : een wonder-
lijke eigenschap.
18 Dat smart haar vergezelt.
21
Men moet corten ende linghen
20 Die tale, sal mense te rime bringhen,
Ende te redenen die aventure.
Hets worden herde te sure
Van Assenede Diederike.
Dien seldijs danken ghemeenlike,
25 Dat hijt uten Walsche heeft ghedicht
Ende verstandelike in Dietsche bericht
Den ghenen, diet Walsche niet en connen.
Tierst heeft hi dus beghonnen,
Ende segt, hoe ghedane wijs
30 Blancefloer ende Florijs,
Twee scone kinder, worden gheboren,
Die in haren live meneghen toren
Hadden van minnen ende rouwen vele
Ende dicke bHscap met groten spele.
35 Soe wie so rechter minnen pleghet,
Ende si hem ghestadeüke leghet
Vaste in siere herten binnen,
Dicke ghevalt dat hem van minnen
Gheschiet gheval na onghevalle,
40 Dies hebben wi ghenoech gheweten alle,
Ende na gheluc groot ongheval.
Als ic van desen tween teUen sal
In der historiën, die ghi selt horen,
Hoe meneghen rouwe, hoe meneghen toren
19 corten: verkorten; linghen: verlengen.
20-21 Het verhaal, wil men het geval in
versvorm en ordelijk vertellen.
22 Het is zeer zwaar gevallen.
24 seldijs: zult gij daarvoor; ghemeenlike:
allen.
26 verstandelike : dradelijk, goed te begrij-
pen; bericht: verteld.
28 Tierst: allereerst.
29 hoe ghedane wijs: hoe, op welke wijze,
onder welke omstandigheden.
32 live: leven; toren: verdriet, narigheid.
33 rouwen: verdriet.
34 spele : genot.
35 So wie so: wie, alwie; rechter minnen:
pleghet: de ware Iiefde(kunst) beoefent.
36 si : versta : indien zij (t. w. de liefde) ;
ghestadelike : bestendig.
38 Dicke: dikwijls; ghevalt: gebeurt het.
39 gheval: geluk; onghevalle: ongeluk.
40 Dies: daarvan; hebben ... gheweten:
weten.
41 ongheval: ongeluk.
42 tellen : vertellen.
44 rouwe: verdriet; toren: leed.
22
45 Si beide ghe wonnen in haren daghen
Van rechter minnen, die si plaghen.
Ooc waren si dicke zoe vro,
Dat si Hever hadden te leven also
Dan te zijn in hemelrike.
50 Binnen dien quam een ongheval haesteUke
Ende warpse beide van hoghen neder
Uter bUscap inden rouwe weder.
Daer zijn vele die dat segghen
Vanden ghenen, die haer herte legghen
55 Soe ghestadeUke an die minne,
Dat hem comt van dommen zinne;
Dat selen wi over loghen houden.
Wi hebben ghehoort van Ysouden,
Hoe si minde haers mans neve Trustram,
60 Ende hoe Parijs minde Helenam,
Ende van anderen vele niemaren,
Die hovesch ende natuerlic waren,
Dier men seyt ende tellet vele
In aventuren ende in spele,
65 Maer des en quam mi niet te voren
Van dommen lieden ende van doren.
Dat si noit van herten minden.
45 ghewonnen : kregen, ondervonden.
46 plaghen : koesterden.
47 vro: verheugd.
50 Binnen dien : intussen ; een ongheval :
iets rampspoedigs.
51 van hoghen: uit de hoogte.
52 rouwe : verdriet.
53 dat, t.w. Dat hem comt van dommen
zinne (vs. 56).
55 ghestadeUke : vast.
56 Dat dat (t.w. die standvastige liefde)
bij hen voortkomt uit dwaasheid van
geest.
57 over: voor.
58-9 Toespeling op de roman van Tristan
en Isolde.
60 Parijs : Paris, zoon van Priamus, koning
van Troje ; Helenam, Helena (gemalin van
Menelaos, koning van Sparta) door Paris
geschaakt.
61-62 Daar vs. 62 aansluit bij vs. 60 en
evenzo vs. 63 bij vs. 61, lijkt het aantrek-
kelijk de vss. 61 en 62 van plaats te doen
wisselen.
61 niemaren: opzienbarende zaken (t.w.
de liefde betreffende).
62 natuerlic : rechtschapen.
63 Dier: waarvan; tellet: vertelt.
64 In (avonturen)romans en andere ont-
spanningsliteratuur.
65 des: daarvan (t.w. Dat si noit van
harten minden, vs. 67), niet: niets, en
quam mi niet te voren: hoorde (of las)
ik nooit.
66 doren : dwazen.
67 noit : ooit.
23
Wilden sijs hem ooc onder winden,
Si souden die minne verwerken zeere.
70 Si beghevens bat ende doen haer eere
Dat si die minne niet verwerken,
Ende latenre pleghen hovesschen clerken,
Ende hovesschen ridderen ende hovesschen vrouwen.
Dat zijn die minnen met rechter trouwen
75 Ende emmer der minnen zijn onderdaen.
Haer en mach ghene cracht wederstaen.
Si en doet dat haer becomt te doene.
Dat scheen den wisen Salomoene:
Al hadde hi cracht ende wijsdom groot,
80 Hi moeste minnen als zijt gheboet.
Al Ware hire gheme bleven sonder.
Bedi en darf niement hebben wonder.
Dat si dese twee kinder dwanc.
Die beide waren jonc ende cranc,
85 Daer ic of segghe daventure
Ende telle, al wort het mi te sure.
Een deel van harre gherechter minnen.
Nu hoort, hoe ic u sel beghinnen.
Wi vinden ghescreven, als ghi selt horen,
90 Dat bi ouden tiden hier te voren
Een heyden coninc uut Spaengen quam,
Tierst dat hi den somer vernam
68 Indien ze het bij geval zouden be-
proeven.
69 verwerken: schenden, krenken, be-
ledigen.
70 beghevens bat : doen beter ervan af te
zien; haer, t.w. de liefde.
71 verwerken: Zie de aant. bij 69.
12 latenre: laten haar; pleghen: Zie de
aant. bij 35 ; clerken : Zie de aant bij 8.
74 zijn, versta : zijn degenen.
75 emmer: steeds; onderdoen: gehoorzaam.
76 Hoer, t.w. de (ware) liefde; madi : kan.
77 Of zij doet, wat ze wil doen.
19, scheen: bleek aan; Salomoene: Salomo,
zoon van David, koning van Israël.
80 zijt: zij (t.w. de liefde) het.
81 sonder: buiten.
82 Daarom behoeft het niemand te be-
vreemden.
83 dwanc : in haar macht hield.
84 cranc : teer.
S6 telle: vertel; al wort het mi te sure:
Zie de aant. bij 22.
87 harre : him.
89 selt horen : moet weten.
91 heyden : Saraceens, Mohammedaans.
92 tierst: zodra; vernam: zag.
24
Bringhen dat nuwe loof ende dat gras;
Fenus dies conincs name was.
95 Te scepe qimm hi met vele lieden.
Als hem zijn vroede man rieden.
Hi sdere meerde an een sant,
Ende ghinc op inder kerstinen lant.
Roof ende brant dedi stichten,
100 Die mure breken, die borghe slichten;
Cloesters, monstre ende gods huus
Dede testoren die coninc Fenus.
Man ende wijf si al versloeghen,
Haren roof si te scepe droeghen.
105 Soe waest ghe woest in viertich daghen,
Dat si der kerstinen gheen en saglien
No en vonden der haven mee
Binnen dertich milen vander zee.
Als sijt al hadden ghestoort,
1 1 0 Menighe scone borch ende poort,
Gheboot die coninc, dat men loede
Die scepen metten groten ghoede.
Hier binnen quam hem te voren.
Dat hi viertich ridderen hadde vercoren,
1 1 5 Die duchtich ende van prise waren.
Wapenen dede hise ende hietse varen
Op die montaenge ende beriden
Die weghen, die straten in allen ziden
96 vroede : wijze (vroede man : raadslieden).
97 sckiere : aldra; meerde : legde het schip
vast; sant: strand, kust.
98 gkincop: landde; kerstinen: christenen.
100 borghe : burchten, kastelen.
101 monstre: heiligdommen; gods huus:
kerken.
102 testoren: verwoesten.
103 versloeghen: doodden.
105 waest ghewoest : werd alles verwoest.
106 Dat ze geen enkele christen (meer)
zagen.
107 No . . . mee: noch . . . ook; haven:
vee.
109 ghestoort : verwoest.
iïO borch: burcht, kasteel; poort: stad.
111 loede: zou laden.
113 Intussen bedacht hij, herinnerde hij
zich.
1 14 Dat hij veertig uitgelezen ridders had.
115 duchtich: flink; van prise: lofwaardig.
116 hietse varen: beval ze te gaan.
117 Op die montaenge: in de bergen? Of
de berg op? Zie 125; beriden: afirijden.
25
Ende roven die pelgrime of sise vonden;
120 Men soude binnen der selver stonden
Die scepen laden ende reden die vaert,
Te keeme weder te Spaengen waert.
Si wapenden hem haestelike
Ende voeren wech gheweldelike,
125 Ende beleiden die borghe in allen ziden,
Al daer wech was ende lide.
Si reden vort, si reden weder;
Doe saghen si vanden borghe neder
Pelgreme, die vele moede quamen.
130 Tierst dat sise vernamen,
Reden si hem tenen ghemoete,
Ende beghondense roven onsoete,
Ende sloeghen diese wilden slaen.
Die pelgreme en mochten niet ontghaen
135 No met crachte hem onthouden.
Doe si saghen, dat si sterven souden.
Si boden haer handen ende ghaven
Een groot deel van harre haven,
Ende verdingheden lijf ende lede.
140 Daer was oec een Fransoys mede.
Die grave was ende van edelen gheslachte.
Om dat hi hem weerde met crachte.
1 19 of : indien.
121 reden: gereed maken.
\2A gheweldelike : met groot machtsver-
toon.
125 te/eii/en ; bezetten; borghe: bergen?
Men verwacht eerder berg (daar hebben
40 man immers wel genoeg aan), wat
grammatisch niet onmogelijk is, want
borghe wordt ook vrouwelijk gebruikt.
Door het hier onmiddellijk volgende
mannelijke gebruik (vs. 128) twijfelt men
dan weer aan een enkelvoudige opvatting.
126 Overal waar een weg of doorgang
was.
127 Zij reden heen en weer.
128 borghe: Zie de aant. bij 125.
129 die vele moede quamen: zeer vermoeid
aankomen.
130 Zodra zij hen zagen.
132 onsoete: genadeloos.
133 En doodden die zich met geweld ver-
zetten.
135 Noch met geweld standhouden, ver-
sta: met succes tegenweer bieden.
137 Si boden haer handen: gaven ze zich
over.
138 harre haven : hun bezittingen.
139 verdingheden : kochten vrij.
140 mede : bij.
142-3 Vg. 133.
26
En wilden die Torke niet leven laten.
Die bleef daer versleghen inder straten.
1 45 Ene zijn dochter hi met hem hadde brocht,
Die een heyHchdom soude hebben besocht
Te Rome, daerse haer bisscop sinde.
Haer man hadse ghelaten met kinde,
Daer hi was inden stride bleven doot.
150 Daer was si doe in groter noot:
Si sach verslaen haren vader.
Dat moestese ghedoghen algader
Ende nochtan vele meer daer toe,
Want si namen haer selven doe
155 Ende voerdense wenende ende claghende sere
Voor den coninc haren here.
Die hem so willecome was.
Doe hise sach, ghedacht hem das.
Doe hi vander coninginne sciet
160 In sijn lant, daer hise Het,
Dat si seide hoe gheme si name
Ene kerstijn joncfrouwe, of hire an quame.
Dat hise vinghe ende hise haer brachte.
Als hise sach ende hijs ghedachte,
165 Seide hi dat hise haer voeren soude,
Ende dede craieren dat hi varen woude.
Doe traken si alle te scepe waert.
Hem was wel verghaen haer vaert.
143 wilden: wilden hem; Torke: Sara-
cenen.
144 versleghen: gedood; inder straten: op
de weg.
145 Ene zijn dcohter: een dochter van
hem.
146 heylichdom : heilige plaats, plaats waar
(een) reliek(en) bewaard wordt (worden).
147 sinde : had heengezonden.
\^ ghehuen: achtergelaten; met kinde:
zwanger.
151 verslaen: doden.
156 haren: hun.
157 Die: tw. de vrouw; hem: t.w. de
koning; so: zeer.
15S ghedacht hem das: herinnerde hij zich
(dat).
159 sciet: afscheid nam.
162 of hire an quame : als hij die zou ont-
moeten.
164 hijs : hij daaraan.
165fiiaf: t.w. de koningin; voeren:
brengen.
166 craieren : omroepen, bekend maken.
168 Hem: hun; vaert: reis, i.c. rooftocht.
27
Si hadden ghewonnen herde vele,
170 Ende voeren wech met vollen zele
Ende worden in corter stont gheset
In Spaengen indie haven van Tolet.
Die niemare Uep voren indie poort:
Die ierst ghevreischt, hi tellet voort;
175 Dus maket deen den andren cont,
Dattie coninc waer comen ghesont
Ende alle die waren inde vaert.
Die heden hepen ter havenen waert
Ende waren blide van haren maghen,
180 Dat sise behouden comen saghen.
Men ontfinc den coninc met groter eeren,
Beide vrouwen ende heeren
Ende der kindren volghden vele.
Vrolike ghinc hi op die zele
185 Ende beghan te deelen zijn ghewin:
Somen gaf hi meer, somen min.
Dat conste hi wel bescheidehke.
Doen nam hi herde hovesschehke
Bider hant die ghevanghen vrouwe,
190 Die int herte droech groten rouwe,
Dat mochtmen wel an haer bekinnen;
Die ghaf hi te deele der coninginne,
Diese alte hant inde camere dede,
Ende gaf haer orlof haren zede
195 Te houden ende die selve wet.
169 herde : zeer.
170 zele: zeil.
172 Tolet: Toledo.
173 niemare: tijding; Uep voren: ging
vooruit (versta: voor de koning en zijn
mannen uit); poort: stad.
174 Die het 't eerst verneemt, vertelt het
verder.
175 cont: bekend.
177 waren inde vaert: aan de expeditie
hadden deelgenomen.
179 van: over; maghen: verwanten.
184 hi: t.w. de koning; zele: (ridder)zaal.
185 ghewin: buit.
186 Somen . . . somen: dezen . . . die.
187 bescheidelike : op een verstandige wijze
190 rouwe: verdriet.
191 bekinnen: merken, zien.
192 te deele: als deel (in de buit).
193 alte hant: terstond; camere: vrouwen-
vertrek.
\94 orlof: toestemming; zede: leefregel.
195 wet: geloofsregel.
28
Die den kerstinen lieden was gheset.
Haer wet hielt si alsoe redelike,
Harre vrouwen dienese ghetrouwelike
In allen tiden spade ende vroe,
200 Want het stont haer daer toe,
Si leerde haer Fransoys ghenoech;
Soe bewarf si ende bedroech
Dat a wart van groten love
Beide inden lande ende inden hove;
205 Het was goet al dat si wrachte.
Dat si was van hoghen gheslachte
Mochtmen an haer ghedochte merken.
Tenen tiden soudese werken
Haren heere den coninc ene baniere;
210 Si wrachter in menighe diere;
Indie middel wracht zire inne
Met den coninc die coninginne.
Daer wart die coninginne gheware
An haer ghelaet, an haer ghebare,
215 Daer sise sach roden ende bleiken
Ende metten handen ten lanken reiken
Ende menighe varwe ontfaen,
Dat si met kinde was bevaen.
Doe beghan sijt haer an tiën
220 Ende bad haer, dat sijt soude liën.
Of si kint droech, jeghen hare.
197 alsoe redelike : zeer plichtsgetrouw.
199 spade: laat; vroe: vroeg.
200 Want zij was daartoe verplicht.
201 haer: t.w. de koningin; ghenoech: be-
hoorlijk.
202 bewarf si : verwierf ze zich ; bedroech :
bewerkte zij.
203 wart van groten love : zeer geprezen
werd.
205 wrachu : deed.
207 ghedochte: manier van denken, idee-
enwereld.
208 werken : weven.
210 wrachter: borduurde er.
214 ghelaet : houding, gedrag, manier van
doen.
215 roden ende bleiken : rood en bleek
worden.
216 lanken: zijden; reiken: tasten.
217 varwe : kleur.
218 met kinde was bevaen : een kind droeg.
219 an tiën : te zeggen, dat zij (geloofde
dat zij) zwanger was.
220 liën (in vertrouwen) zeggen.
221 Of: in^ea; jeghen : aan.
29
Ende welctijt het ghewonnen ware.
Doe seide sijt haer bescheidenlike.
Die vrouwe seide dier ghelike,
225 Dat si vanden selven stonden
Hadde kint ghedraghen, ende si begonden
Te rekenen, alse de vrouwen pleghen,
Datsi even langhe hadden ghedreghen
Ende binnen enen daghe souden ghenesen,
230 Ende even varinghe quite wesen.
Die tijt leed also God woude,
Dattie coninginne ghenesen soude
Entie termt volcomen was.
Eens Palmen sondaechs si ghenas
235 Van enen sconen knapeline.
Doe ghaven hem die maghesine
Uut haren boeken, na hare wijs.
Een sconen name ende hieten Florijs.
Dies selves daghes ghenas van kinde
240 Die ghevangen vrouwe, alsict bescreven vinde,
Ende brachte inde werelt een maghedijn.
Doe dedem hebben die moeder sijn
Na onse wet zijn kerstenhede;
Blancefloer zijt heten dede.
245 Doe waren die kinder beide gheboren,
Daer ghi daventure of selt horen.
Nu ghewan die coninc sijn kint
Soe lief ende hi haddet so ghemint.
Dat si peinsden, hi ende sijn moeder.
222 welctijt: wanneer.
223 bescheidenlike: heel precies.
224 vrouwe : lees of versta : de koningin ;
dier ghelike : desgelijks.
227 Te rekenen : vat te rekenen.
229 En op dezelfde dag zouden bevallen.
230 varinghe: spoedig; <juite: verlost.
231 leed: was daar, brak aan.
232 ghenesen : bevallen.
233 termt: tijd (der zwangerschap); vol-
comen : ten einde.
234 Palmen sondaechs: Palmzondag, de
zondag vóór Pasen.
236 maghesine: magiërs, versta (naar het
Volksboek) „heydensche meesters"; hie-
ten : noemden hem.
241 maghedijn: meisje.
242-3 Toen liet haar moeder ze volgens
ons geloof dopen.
247 ghewan : kreeg.
248 haddet so ghemint : hield er zoveel van.
249 sijn, t.w. van het kind.
30
250 Wien zijt mochten bevelen vroeder.
Si mindent ghelijc haers selfs lijf,
Ende bevalent den kerstinen wijf,
Dat sijt soude houden ende voeden.
Maer men hiet haer des behoeden,
255 Dat sijt selve en soeghde niet.
Men bevalt te soghene ende hiet
Eenre heydenre voestre, diere toe dochte.
Dat si conincs kint soghen mochte.
Nu hadde die kersten die kinder beide;
260 Daer toe hadsi goede ghereide
In allen tiden spade ende vroe,
Ende dede, dat hem behoorde daer toe:
Te tide slapen, te tide waken.
Te tide haer bad ende bedde maken.
265 Soe lief had sise beide ghewonnen.
Dat wi ghelesen niet en connen.
Na dien datmen ghescreven vint,
Welc si hadde meest ghemint,
Soe haer dochter, soe des conincs zone.
270 Si was emmer dies ghewone.
Dat sise beide leide te samen.
Eer si tharen vijfjaren quamen.
Die minne scootse int herte richte
Ende wondese soe met enen schichte;
275 Dat schicht was van goeden ghewerke,
Ende deedse minnen even sterke.
250 Aan wie zij het 'c best konden toe-
vertrouwen.
251 liif: lichaam (haers selfs lijf: zichzelf).
253 houden: verzorgen; voeden: opvoe-
den.
254 Maar men beval haar zich ervoor te
wachten.
256 bevalt . . . ende hiet: beval het.
257 diere toe dochte : die daar geschikt voor
was, daartoe waardig werd gekeurd.
260 hadsi goede ghereide : was ze zeer zorg-
zaam.
261 Zie 199.
262 hem : hun (t.w. de kinderen).
265 Ze had ze beiden zo lief.
269 Soe haer dochter, soe: haar dochter, of.
270 emmer dies ghewone: altijd gewoon.
273 int herte richte : recht in het hart.
274 schichte : pijl.
275 was van goeden ghewerke: had een
goede uitwerking.
31
Nu hoort vremtheit, die si daden.
Dat si te gader souden baden,
Herde goediken si hem onder saghen,
280 Ende onder custen hem, daer si laghen
Beide te gader in ene wieghe.
Dat was al waer, ons en bedrieghe
Dese boec ende andre, daer wi inne
Al vinden ghescreven haer minne.
285 Als si waren comen tharen vijfjaren.
Van scoenre groten si beide waren
Ende tallen goeden werken ghekeert.
Diese ghewijst hadden ende gheleert,
Si waren waert van groten lone.
290 Die kinder waren beide so scone,
Datmen daer no in gheen lant
Soe scone twee kinder noit en vant.
Als die coninc hadde vernomen.
Dat zijn kint soe verre was comen,
295 Dat het mochte ter scole ghaen
Ende lettren kennen ende verstaen.
Riep hi te hem sinen zone.
Als hi dicke was ghewone.
«Minne», seit hi, «de sal di ter scolen doen:
300 Di sal leren meester Gaydoen,
Een wijs meester ende een vroet.»
Florise bedroefde herde zijn moet,
Dat moeste hi daer te hant toghen;
Hem braken die tranen uten oghen.
305 «Soete heere», seit hi, «en mach niet wesen:
277 vremtheit: iets zeldzaams.
278 Hat : wanneer.
279 goetliken: lief; ff hem ondersaghen :
keken ze naar elkaar.
280 ottdercusten : kusten elkaar.
282 ons en bedrieghe: als ons niet bedriegt.
28S ghewijst: onderwezen.
289 van groten lone : grote lof.
291 no: noch; gheen, versta: welk.
292 noit: ooit.
293 vernomen : bemerkt.
297 te hem : bij zich.
302 herde: zeer; moet: gemoed.
303 te hant: terstond; toghen: tonen.
305 en mach niet wesen: dat kan niet.
32
In sal moghen scriven no lesen
No der leringhen niet verstaen,
Ghi en doet Blancefloere met mi gaen.»
Doe gheloefde hem al daer zijn vader,
310 Dat hise zoude zenden beide gader
Ter scolen, ende hi dede alsoe.
Des waren die kinder beide vro.
Men dedese ter scolen, ende si leerden;
Si ghingen te gader ende si keerden.
315 Van harre ouden, van haren daghen
Consten si van minnen, die si plaghen,
Menighen raet ende vele treken.
Doe mochtsi vriliken spreken
Haer ghelijc andren sinen vrille
320 Verholen tlike ende stille.
Si ghingen ter scole gestadelike.
Si onder minden hem verholenlike.
Als deen bi den andren niet en v^as.
Vergat hi wat hi hoerde of las;
325 Ende wat so men hem seggen hiet.
Des en mocht hi onthouden niet.
Ter minnen hadden si goede stade.
Si waren beide van enen rade.
Van ere scoenheit, van enen sinne,
330 Ende even gestadech an die minne.
306 In (uit ic en) sal moghen : ik zal niet
kunnen.
307 noch mij tot de studie zetten.
308 Ghi en: of gij (als gij niet).
309 gheloefde : beloofde.
312 Des: daarover; vro: verheugd.
315 Voor hun leeftijd.
3\6 plaghen: Zie de aant. bij 35.
317 raet: vond; treken: listen.
318 Doe: lees Soe (= zo, op die manier,
d.w.z. dank zij de vonden en listen)?
318-20 Toen (of zo) konden ze stiekem
vrijuit aan elkaar zeggen, wat ze wilden
{Haer ghelijc andren : elkaar).
321 ghestadelike : geregeld, zonder te ver-
zuimen.
322 onder minden hem : beminden elkaar.
325 wat so : wat (ook maar) ; seggen : op-
zeggen; hiet: beval.
326 Dei . . . niet : niets daarvan (of:
dat . . . niet) ; onthouden : Versta : daar
bracht hij niets van terecht, omdat hij het
niet had onthouden.
327 stade , gelegenheid.
328 rade: geest, gezindheid.
33
Dat si oec dicke lesen horden
Die treken, die ter minnen horden,
Ende mense oec te lesene sette
In Juvenale ende in Panflette
335 Ende in Ovidio de Arte Amandi,
Daer si vele leerden bi.
Dat hem bequam ende dochte goet.
Dus hadden si ter minne spoet.
Die boeke dadense haesten so
340 Ter minnen, dat si dicke vro
Beide waren ende in sorgen groet.
Dat si hadden liever te wesene doet
Dan gesceden lange te sine.
Dus leefden si in soeter pine,
345 In soeten rouwe, in soeten bedwange.
Die nachte dochten hem vele te lange.
Die dage waren hem te cort vele
Te harre bUscap, te haren spele.
Sint dat si leren begonsten,
350 Binnen vijfjaren die kinder consten
Latijn spreken wel te maten.
Doe mochten si in wege ende in straten
Ende in den hove seggen in Latijn
Haerlijc andren den wille sijn,
355 Dattie leeke niet en mochten verstaen.
Dit hadden si so lange gedaen
Ende der minnen so lange geplogen.
331 Dat: doordat.
332 treken : listen.
334 Juvenale : Juvenalis, Romeins satiren-
dichter (ca. 60—140 n. Chr.); Panflette:
Pamphilus Mauritianus, schrijver van De
Amore, een in de Middeleeuwen (ook als
schoolboek) veel gelezen werk. De vorm
Panflette (uit Panphilet, Pamphilet) wordt
wel verklaard naar analogie van Esopet
(van Esopus, Aesopus) als kleine (versta:
verkorte uitgave van) Damphlms.
335 Ovidio: Ovidius, schrijver van De
arte amandi, een in de Middeleeuwen ge-
zaghebbend handboek der zinnelijke
Uefde.
336 kerden bi : uit leerden.
337 bequam : beviel.
338 spoet: geluk, voorspoed.
345 bedwange : druk.
351 wel te maten : behoorlijk.
354 Elkaar wat ze wilden (voor Haerlijc
andren zie de aant. bij 318-20).
34
Dattie niemare was gevlogen
Ende ment seide openbare.
360 Tierst dattie coninc die niemare
Ghevreeschte, dat Floris sijn kint
Blancefloere so hadde gemint.
Dat hi el ne gene name
Nemmermeer, die hem getame,
365 Ocht mens hem gehingede ende liet also.
Doe balch hi harde ende wart onvro.
Het dochte hem wonderlike dinc.
Erlike hi te sire vrouwen ginc
Ter cameren, daer hise vant inne,
370 Raet te nemene, hoe hi die minne
Van den kindren mochte testoren.
«Vrouwe», seit hi, «wi hebben verloren
Florise ons kint, so iet bevroede.»
Die vrouwe was van gestaden moede,
375 Te meer was sijs in groten vare:
An sine varwe wart si geware.
Dat hi gram was ende verbolgen,
Ende peinsde hoe si hem mochte volgen
Minlike ende met soeter spraken.
380 «Ay here», seit si, «bi welker saken
Selen wi onse kint verüesen?
Segt, ende wi selen kiesen
357 geplogen : Zie de aant. bij 35.
358 Tot dat het nieuws werd verbreid,
het bekend was geworden.
360 Tierst: zodra.
361 GhevnesehU: vernam.
362 hadde gemint : liefhad.
363-5 Dat hij nooit een ander (el ne gene :
geen ander) zou nemen, die geschikt voor
hem zou zijn, indien men hem dit zou
toestaan en daarin zijn gang liet gaan.
366 bakh: werd toornig; harde: zeer;
onvro : kwaad.
367 wonderlike : afschuwelijk.
368 Erlike : vertoornd.
369 cameren : Zie de aant. bij 193.
370 raet te ttemene: te beraadslagen.
371 testoren: een eind maken aan.
373 so iet bevroede: denk ik.
374 van gestaden moede: rustig van aard.
375 Niettemin schrok ze er hevig van?
Of (bij gestade in vs. 374 = vriendelijk,
zoals een riddervrouwe t.o. haar echt-
genoot betaamt, vg. ook 403): des te
meer maakte ze er zich bezorgd over (t.w.
hoe haar man te kalmeren).
376 varwe: gelaatskleur.
378 volgen: paaien.
380 W welker saken : waarom, door welke
oorzaak.
35
Den besten raet, die wi mogen vinden.»
«Vrouwe», seit hi, «ic wil u ombinden:
385 Floris heeft met al sinen sinne
An Blancefloere sine minne
50 harde gekeert utermaten
Ende seit, dat hise niet sal laten
Alsoe lange als hi sal leven.
390 Vrouwe, wildire raet toe geven
Ende dunket u oec wel gedaen,
Ic wille haer thoeft doen ave slaen:
Alse dan die leede niemare
Florise te voren quame van hare,
395 Dat si doet es, so wanic wel weten.
Dat hi haers al sal vergeten
Ende sine minne an ene ander keren.
Die hi minnen moge met eren.
Dan willic, dat hi te sinen rechte
400 Neme een wijf van hogen geslechte.»
Tierst dattie conincinne vernam
Die sake, die den coninc mesquam,
51 was hoefsch ende goedertiere,
Ende bepeinsde haer harde sciere
405 Ende dachte, hoe si mochte verwerven,
Dattie joncfrouwe niet soude sterven,
Ende gesachten mochte des coninx moet.
«Here», seit sie, «dese raet es niet goet.
Na dien dat gi segt dat staet,
410 SaHc ons geven betren raet.
384 ombinden : het zeggen.
385 al sinen sinne : heel zijn hart.
387-8 So harde . . . Ende : zo sterk . . . dat
(hij).
390 wildire raet toegeven: indien gij daarin
wilt toestemmen.
393 leede niemare: droeve tijding.
394 te voren quame : bekend zal worden.
395 so uianic wel welen : dat denk ik wel.
3% haers: haar; al: geheel.
399 te sinen rechte ; zoals hem betaamt.
401 Tierst dattie: zodra de; vernam:
hoorde.
402 mesquam : mishaagde.
404 bepeinsde haer harde sciere : overlegde
ze zeer viug.
405 hoe si mochte verwerven : hoe ze het
gedaan zou krijgen.
407 Ende : versta : en hoe zij ; gesachten
mochte: tot bedaren kon brengen; moet:
toorn.
409 Na: naar; dat: dat het.
36
Machlichte Floris heeft gemint
So gestadelike dat hoefsche kint,
Blancefloere, die scone es,
Dat ic mi sere ontsie des
415 Ende bens in harde groten vare,
Tierst dat hi gevreischte die niemare.
Dat hi hchte mochte bederven
Ende van groten rouwe sterven;
Dan ware onse scade ende onsen toren
420 Meerre dan hi was te voren.
Men gewons nemmer prijs no lof,
Noch vrome en quamer nemmer of.
Dat mense versloege, ende messate.
Hets beter dat mense leven late.»
425 «Vrouwe», seit hi, «nu raet daertoe.»
«Here, ic segt u wat men doe.
Sijn meester sal hem siec maken
Ende onmachtech: bi derre saken
Seldine ter Montoriën ter scolen sinden,
430 Daer te leerne met andren kinden.
Des sijn meester es genesen.
Hi sal daér willecome wesen:
Vrouwe Santé, die vrouwe vander port,
Tierst datse dese sake hort,
435 Dat hi ene kerstene heeft gemint,
Ende hi daer omme si daer gesint.
411 Machlichte: misschien; heeft gemint:
bemint.
4Ï2 gestadelike : onverbrekelijk.
414 Dat ik erg bang ervoor ben.
415 En zeer bevreesd ervoor ben.
416 Zodra hij de tijding zou vernemen.
417 Dat het wel eens zijn leven zou kun-
nen kosten.
418 rouwe: verdriet.
4Ï9 scade : rampspoed; toren: leed.
420 Meerre: groter.
421 gewons : zou nooit daarvoor verwer-
ven.
422 vrome : iets goeds.
423 Dai: indien; versloege: zou doden;
messate: het zou niet te pas komen.
425 nu raet daertoe : wat dan te doen ?
427 hem siec maken : zich ziek houden.
428 omnachtech: niet in staat iets te doen;
bi derre saken : oni die reden.
429 Seldine: zult gij hem; Montoriën: een
moeilijk te identificeren stad „in heide-
nesse".
431 Des: totdat.
433 vrouwe: heerseres; port: stad.
434 Zodra (of wanneer) ze hoort.
435 heeft gemint : bemint.
436 si daer gesint: daar(heen) is gezonden.
37
Si salse hem met Üste verleden.
Joncfrouwe Sibilie salne leden
Onder die kinder, haer gespele,
440 Die hi daer sal vinden vele,
Dor te cortene sinen dach.
Dies hi ne hort geen gewach
Daer hi spelen nu mede pleget,
Ende hem so na int herte nu leget,
445 Dan sal hi beginnen coelen,
Ende sijn herte in lanc so min gevoelen
Van Blancefloere der starker minnen,
Ende selke nuwe beginnen.
Die hem die oude sal verdriven.
450 Dus moghen die kinder levende bliven.
Maer alse Floris dat sal gevreischen
Hi sal wenen ende eischen.
Dat men met hem Blancefloere
Ter Montoriën ter scole voere.
455 Des selen wi hebben goeden raef.
Haer moeder sal maken een gelaet
Ende een gebaer ocht si siec ware.
Dit moet si doen: wi selent hare
Bevelen vaste bi haren hve,
460 Dat si op haer bedde bhve,
Ende si bidde, dat men harre dochter
Met hare late, want si haer sochter
437 zal zij op listige wijze bewerken,
dat hij een tegenzin in haar krijgt (ver-
leden: maken dat iemand een tegenzin in
iets krijgt).
438 salne leden : zal hem brengen.
439 gespele: vriendinnen.
441 Dor: om.
442-3 Omdat (of — indien dies wordt
betrokken op Dan van 445 — wanneer)
hij niets meer hoort van haar, met wie
hij nu gewoon is te spelen.
444Btt/e: Versta: en die.
445 eoelen : koel worden (t.w. in zijn ge-
voelens voor Blancefloer).
446 in lanc so min : hoe langer hoe minder.
AAS selke: de een of andere; nuwe:
nieuwe (t.w. liefde).
450 Zo kunnen de kinderen blijven leven.
451 gevreischen: horen.
455 Daarvoor zullen we raad schaffen.
456-7 Haar moeder zal doen, alsof ze
ziek was.
459 vaste: streng, onverbiddelijk; bi haren
live: op straffe des doods.
461 Ende si bidde : en dat ze vraagt.
462 Met: bij; want: omdat.
38
Ende bat bewaren dan een ander sal.
Dus selen wi ome dinc verachten al.
465 Dan seldi geloven over waer,
Dat gise hem selt senden naer
Binnen viertien nachten, daer hi es,
Ende hi niet en twivele des.»
Dit dede men harde verholenlike.
470 Doe omboet die coninc haestelike
Florise, dat hi te heme quame.
«Sone», seit hi, «u si gename,
U meester es siec ende heeft gelegen.
Dat hi der clerke niet mach plegen,
475 No der scolen onder winden.
Bedi salie u ter Montoriën sinden,
Daer seldi willecome sijn ende wel ontfaen;
Ghi selt daer bliven enter scole gaen
Ende leren lesen ende scriven.»
480 «Here», sprac Floris, «waer sal dan bhven
Blancefloer?» «Minne», seit hi, «hier.»
Hem liepen die trane over sine Uer
Ende began te weenne harde sere.
«Dit en doet niet», seit hi, «here;
485 Dit gebod waer mi te swaer.
Ghi en doet Blancefloere met mi daer,
In salre mogen wonen niet.»
Doe bad hem die coninc ende hiet.
463 bat bewaren : beter verzorgen.
464 verachten: van te voren overleggen.
465 geloven: beloven; over: voor.
466 naer : na.
468 En dat hij daarom niet behoeft te
twijfelen.
469 verholenlike: in het geheim.
470 omboet: ontbood.
471 te heme: bij hem.
472 M si gename : met uw goedvinden.
473 Uw meester ligt ziek te bed.
474 Zodat hij geen aandacht aan de leer-
lingen kan schenken (versta : geen les kan
geven).
475 onder winden : zich wijden aan.
476 Bedi : daarom.
477 wel ontfaen : goed ontvangen.
482 lier: wangen.
484 Dit en doet niet : doe dat niet.
486 Ghi en : als gij niet.
487 Dan zal ik daar niet kunnen ver-
blijven.
488 Toen verzocht de koning hem drin-
gend.
39
Dat hi blidelike voere:
490 Hi soude hem senden Blancefloere
Binnen viertien nachten oft eer.
Dat minderde hem harde sijn seer,
Al dede hijt node, hi lovet al dus.
Doen dede sijn vader, die coninc Fenus,
495 Roepen enen sinen camerlinc.
Die listech was ende vroet talre dinc;
Dien hiet hi varen met sinen kinde
Ter Montoriën, daer hine sinde,
Ende gaf hem al dies hem behoevede.
500 Maer Floris sere droevede
Ende weende al daer lii sciet
Van Blancefloere ende liise liet.
Doe al geroet was sine vaert.
Voer hi wech ter Montoriën waert.
505 Daer vant hi dien hertoge Goras,
Dien hi willecome was.
Vrouwe Santé ontfingene blidelike;
Si dede harde hoefschelike
Harre dochter, joncfrouwe Sibiliën,
510 Heme leeden dicwilen
Onder die joncfrouwen van der port.
Dat hi soude horen selc wort,
Ende lii bi lichte mochte gewimien
In die scole ene andre minnen,
515 Daer lii hem selven bi soude verhogen
Ende Blancefloere vergeten mogen.
489 voere : erheen zou varen.
493 lovet al dus : vond het zo goed.
495 enen sinen camerlinc: een van zijn
kamerheren.
497 hiet: beval.
498 hine: hij heui.
499 dies hem behoevede: wat hij nodig had.
501 al daer hi sciet: toen hij afscheid nam.
503 Toen hij reisvaardig was, alles in
orde was voor zijn reis.
508-10 dede . . . leeden : liet . . . brengen.
5\\ joncfrouwen : adellijke meisjes; port:
stad.
512 selc: een zodanig.
513 Ende hi bi lichte : dat hij wellicht.
514 minnen : liefje.
515 verhogen: verheugen.
40
Men wijsde hem vele ende leerde,
Daer hi lettel toe keerde
Sinen sin, so wat soet was.
520 Al dat hi hoerde ende las,
Altoes was hem die gedane te voren
Van Blancefloere, die hi hadde vercoren
Boven alle die hi nie gesach.
Die hem so vaste int herte lach,
525 Dat sine dede leven in groten bedwange.
Die wile dochte hem lange.
Beide bi dage ende bi nachte.
Dicke versuchte hi harde onsachte
Te halven woerde an sine sprake.
530 Dus leefde hi met ongemake,
Ende clagede dicke sijn ellende.
Eer die viertien nacht quamen ten ende.
Alse volcomen was die termt,
Daer hi omme hadde gekermt,
535 Entie viertien dage waren comen ten ende,
Ende men hem Blancefloere niet sende.
Doe was hi in sorgen groet.
Dat si soude wesen doet.
Doe was hi droever dan hi was eer.
540 Die rouwe wies hem in lanc so meer,
Hine mochte haers niet vergeten.
Doe het hi slapen ende eten.
Beide dat eten ende dat drinken.
Doghen begonsten hem ontsinken.
517 wijsde: onderwees.
518-9 waaraan hij weinig aandacht be-
steedde, wat het ook was (so wat soet:
versta: so wat so 't: wat het ook).
520 Al dat hi: wat hij ook.
521 Altijd stond hem de gedaante voor
de geest.
523 nie : ooit.
525 bedwange: druk.
526 wile : tijd.
528-9 Bij het spreken slaakte hij vaak
midden in een woord een diepe zucht.
530 ongemake : verdriet.
533 Toen de tijd (t.w. de termijn van
14 dagen) om was.
537 in sorgen groet: zeer bevreesd.
539 eer : te voren.
540 Zijn verdriet werd hoe langer hoe
groter.
544 Zijn ogen gingen hol staan.
41
545 Want heme sijn vleesch al ave ginc.
Doe warts geware die camerlinc.
Haestelike hi ten coninc sinde,
Ende ontboet hem van sinen kinde.
Die niemare hem harde mesquam.
550 Hi wart wonderUke gram
Ende riep die conincinne te hem.
«Vrouwe», seit hi, «en weet wie ic bem
Dus wonderUke comen an dese dinc.
Ons heeft ontboden die camerUnc
555 Van onsen sone quade niemare.
Nu siet, hoe menre best toe vare.
In weet, ocht si bi toveriën
Van Blancefloere, sire amiën,
Ocht hi verwoet si selve Florijs,
560 Dat si hem dus gedane wijs
Sinen sin al heeft genomen.
Men doese mi haestelike comen;
Ic wille haer te hant doen thoeft af slaen.
Hi saels lichte dan ave staen
565 Ende der minne al vergeten
Van hare, als hise doet sal weten.»
Here God, hoe groet es die dompheit.
Die de coninc heeft geseit,
Datse toverie soude hebben gedaen!
570 So tielic hadse die minne ontfaen.
545 Want hij verloor al zijn vlees.
547 sinde : zond, t. w. bericht.
548 ontboet : hchtte in.
549 Hij (t.w. de koning) vond die tijding
zeer onaangenaam.
550 wonderUke gram : hevig vertoornd.
552-3 Indien de dichter anticipeert op
VS. 557 e.v. zou men kunnen vertalen:
Ik weet niet, hoe ik aan deze narigheid
ben gekomen. Dit lijkt misschien aan-
trekkelijker dan; Ik weet niet, wie ik ben
(versta: ik ben buiten mezelf), zo af-
schuwelijk gaan de zaken toe.
554 ontboden : gezonden.
556 hoe menre best toe vare, wat het beste
is hierin te doen.
557 In weet: ik weet niet; ocht: of; si: is.
558 amiën : liefje.
559 of wel dat Floris zelf gek geworden is.
560 dus gedane wijs : zo, op dusdanige
wijze.
564 Hij zal er gauw mee ophouden, het
uit zijn hoofd zetten (ave staen, afstaen
(e. gen.") laten varen).
567 dompheit : dwaasheid.
570 tielic : vroegtijdig.
42
Doe hise tierst minnen begonste,
Dat si no goet no quaet ne conste.
Si mindene weder utermaten.
Sint dat hise hadde gelaten
575 Ende hi haer ontvoer ter Montoriën waert,
Dat si nie sint blide en waert.
Met pinen leidde si haer leven,
Haer suchten ende haer beven
Hadde haer deten al benomen,
580 Maer des en hadsi niet vernomen.
Dat dus gedane tale om haer was.
Doe pijnde haer echter die vrouwe das,
Hoe sise mochte ledegen vander doet.
«Ay here», seit si, «het ware sonde groet,
585 Beide sonde ende scade.
Dat men so scone een kint verdade!
Hets beter, dat men Blancefloere
Te Nicle ter merct te cope voere.
Daer sijn comannen comen van verren,
590 Die onlange selen merren.
Alsi des worden geware.
Dat si so scone es ende het wert mare.
Si selenre haven vele omme geven.
Doet dit, hets best, ende laetse leven.
595 Si selense dan voeren so verre.
Dat ghire nemmeer omme wert erre;
Dan dorvedi manslachtech werden niet.»
572 Dat ze zich nog van geen goed of
kwaad bewust was.
574 gelaten : achtergelaten.
575 En hij van haar wegtrok naar Monto-
rië.
576 Was ze niet meer blij (de bijzin-
constructie door bijgedachte aan uter-
maten (vs. 573) begrepen als „zo hevig").
580-1 Maar daarvan had ze niets gemerkt,
dat er zo over haar gesproken werd.
5S2 pijnde haer . . . das: zon er op; die
vrouwe: t.w. de koningin.
583 ledegen: vrijwaren.
586 verdade : zou doden.
590 merren : blijven, vertoeven.
592 mare : bekend.
593 haven: geld of goed.
596 Versta: dat gij er geen last meer van
zult hebben {erre werden = vertoornen,
t.w. op Blancefloer, of == spijt hebben,
t.w. van het verkopen van Blancefloer).
597 Dan behoeft ge u niet schuld% te
maken aan doodslag.
43
Doet hem die vrouwe so harde riet,
Ende sijt erenstelike woude,
600 Seide hi, dat hijt doen soude,
Ende omboet twee portren vander stat,
Dien geboet hi ende gebat.
Want si lustege comanne waren.
Dat si te Nicle souden varen
605 Ende met hem senden ende voeren
Te cope die scone Blancefloere.
Si gereidden haer vaert ende namen
Blancefloere met hem, ende alsi quamen
Te Nicle ende sise ter marct brochten,
610 Doe vonden si co mans, diese cochten
Met groten scatte, met vele haven.
Nu hoert, wat sire omme gaven.
Dat willic u maken cont:
Si gaven van goude sestich pont,
615 Van zilvere hondert bi getale,
Hondert pellene, hondert sendale,
Hondert bliaude purper sanguine,
Hondert mantele rode pelline,
Driehondert vogle, die goet waren:
620 Hondert valken, haveke, sporewaren,
Hondert ors groet ende snel.
Si gaven oec, dat weetic wel.
Na dien dat dystorie seit
Ende gewaget die rechte waerheit,
625 Enen cop gewracht van goude.
598 harde : nadrukkelijk,
599 erenstelike : beslist.
601 omboet: ontbood; portren: burgers.
602 Die droeg hij op (geboet . . . ende
gebat op tc vatten als hendiadys, zoals
elders bidden ende heten (o.a. in vs. 488)
in de zin van dringend verzoeken of
vriendelijk, minzaam, beleefd gelasten).
603 luslege : bekwame.
611 haven: Zie de aant. bij 593.
615 bi getale : in getal.
616 pellene: pronkgewaden; sendale: zij-
den kledingstukken.
617 bliatide : met goud doorweven zijden
gewaden; purper sanguine : bloedrood.
618 rode pelline: purperrood.
620 sporewaren : sperwers.
621 ors : paarden.
623-4 Indien het (geschied) verhaal waar-
heid bevat.
625 cop : beker.
44
Die nu so gedanen maken soude,
Hi soude groten cost doen daer toe.
No daer te voren, no sident, no doe
En sach nieman genen so goet.
630 Nu hoert, wat daer an gemaket stoet:
Daer stoet, hoe gedane wijs
Des coninx sone van Troien Parijs
Helenam voerde ende gewan
Ende hem na volgede haer man,
635 Die coninc Menelaus, verbolgen sere;
Ende hoe Agamemnon leidde there.
Des hi vele hadde utermaten;
Entie Grieken Troien besaten,
Ende si die mure met storme versochten,
640 Ende hoe si van binnen weder vochten.
An den scedel oec gemaket was,
Hoe Juno, Venus ende Pallas
Enen appel vonden van goude
Ende streden, welc harre hebben soude;
645 Want in den appel stont gescreven.
Dat menne der scoenster soude geven;
Ende hoe sijt keerden op Parise,
Dat hi tvonnesse te rechte wise,
Ende hi sciede sonder gedinge;
626 so gedanen : een soortgelijke.
627 Het zou hem heel wat kosten.
628 sident : daarna.
629 genen sogoet : (er )een die zo mooi was.
630 an gemaket ; op afgebeeld.
631 hoe gedme wijs: hoe.
632-5 Zie de aant. bij 60.
633 voerde ende gewan : versta (als prote-
ron husteron) gewan (= won)en</e voerde
(= ontvoerde, schaakte).
634 na volgede: achtervolgde.
636 Agamemnon : koning van Myccue,
aanvoerder van de Grieken in de Tro-
jaanse oorlog; there: het leger.
637 Dat zeer groot was.
638 Entie : versta : en hoe de ; besaten :
belegerden.
639 En hoe ze de muren trachtten te be-
stormen.
640 En hoe de belegerden weerstand
boden.
641 scedel: deksel; gemafeef; afgebeeld.
642 Pallas: Ook in het Franse voorbeeld
(buiten het rijm) staat hier naast Juno en
Venus de Griekse naam i.p.v. Minerva.
644 streden: er over twistten; welc harre:
wie van haar (hem).
645 gescreven : gegrift.
647 keerden op : opdroegen.
648 te rechte wise : naar recht, op de juiste
wijze zou vellen.
649 En in der minne zou beslissen.
45
650 Ende hoe haer gelijc sprect sonderlinge ;
Ende hoe hem Juno behiet rijcheit vele;
Pallas seit, dat sine maken wele
Den besten riddre die ie gewan lijf;
Venus behiet hem dat scoenste wijf,
655 Die nie van moeder wart geboren;
Ende hoe hi dat wijf heeft vercoren,
Ende hoe hi den appel Venuse geeft,
Ende seit, dat sine met rechte heeft.
Opten scedel stont een carbonkel steen;
660 Ens kelre so donker ne geen.
Al eiser in Ucht no vier,
Daeme in die hant hout die bottelgier,
Hi maket so Ucht daer binnen.
Dat men daer bi moge bekinnen,
665 So wat haven soet moge sijn,
Moraet, clareit ochte wijn.
Dien carbonkel hadde in den voet
Een vogel, die daer boven stoet.
Die den vogel sach, hem dochte,
670 Dat hi levede ende vHegen mochte.
Desen cop makede Vulcanus,
Dien ic hebbe bescreven dus.
Het brachtene uut Troien Eneas,
Doe die stat te storet was;
650 hoe: versta: wat; haer gelijc: ieder
van haar; sonderlinge: op de beurt.
651 behiet: beloofde.
652 wele : wil, zal.
653 die ie gewan lijf: die ooit leefde.
655 nie : ooit.
658 met rechte : te recht.
659 scedel: Zie de aant. bij 641; carbonkel
steen : robijn.
660 Een kelder kan zo donker niet zijn.
661 eiser : is er.
662 Wanneer de keldermeester hem (t.w.
de carbonkel steen) in de hand houdt.
663 Hi : t.w. de steen.
664 moge bekinnen : kan onderscheiden.
665 Wat voor goed het ook mag zijn (So
wat . . . soet: zie de aant. bij 519).
666 Moraet: moeibeienwijn; clareit: krui-
denwijn.
667 hadde: hield; voet: poot, klauw.
671 Vulcanus: god van het vuur, hier in
zijn kwaliteit van oer-edelsmid.
673 Eneas bracht hem uit Troje mee (t.w.
bij zijn vlucht uit de brandende stad om
na verschillende avonturen via Carthago
Italië te bereiken).
674 te storet : verwoest.
46
675 Sint liet hine ere sire amiën
In dat land van Lombardiën;
Daer naer wart hi gegeven voert,
Dat hi te Roeme quam in die poert,
In des keisers stat, ende hi verstarf
680 Vanden een opten anderen so menich warf,
Dat hi den keyser was comen toe;
Ende een dief hadden gestolen doe
Ende hadden te Nicle ter merct brocht,
Daeme die comanne hadden gecocht,
685 Diene om Blancefloere gaven voert.
Als ghi te voren hebt gehoert.
Die comanne der joncfrouwen blide waren.
50 wel waenden si hebben gevaren.
Mochten si te Babyloniën comen binnen,
690 Dat sire twiscatte an souden winnen.
51 voeren wech, ende haer vaert
Beviel hem wel te Babyloniën waert.
Tierst dat si te Babyloniën quamen,
Blidelike si die joncfrouwe namen
695 Ende gavense te presente den ammirale.
Dien si alte hant bequam so wale,
Tierst dat hise met oghen sach.
Dat hise hem tienvout met goude wach.
Dies waren die comanne harde vro,
700 Dat si hem was vergouden so.
675 Nadien schonk hij hem aan een liefje
van hem.
677 Daarna werd hij door de een aan
de ander gegeven.
678 Dat : totdat ; poert : stad.
679 verstarf: kwam door erfenis.
681 comen toe: ten deel gevallen.
684 Daeme: waar hem.
685 Diene: die hem; gaven voert: af-
stonden.
687 der : met (t. w. het bezit of de koop
van) de.
688-90 Zij dachten zulke goede zaken
te hebben gedaan, dat ze, indien ze Baby-
Ion zouden bereiken, het dubbele voor
haar zouden terugkrijgen.
692 Beviel : verliep.
693 Tierst dat: zodra.
695 te prosente : ten geschenke ; ammirale :
emir.
696 alte hant : terstond ; bequam : beviel.
697 Tierst dat : zodra.
698 Dat hij hun het tienvoudige van haar
gewicht in goud schonk.
699 Dies; daarover; harde vro: zeer ver-
heugd.
700 vergouden: vergolden (versta 700:
dat ze zoveel voor haar hadden gekregen).
47
Si dancteii hem ende namen orlof,
Ende rumeden met bliscapen thof.
Die joncfrouwe heeft so goede seden,
So goede gescepe van haren leden,
705 Die oghen so scone, die huut so claer,
So wale sit hare dat scone haer,
Datter die ammirael merct bi
Dat si van hogen geslachte si.
Hi was gewone al sijn lijf,
710 Elcs jaers te hebbene een wijf;
Die seden, seit hi, sal hi breken
Dor haren wille ende bespreken.
Dat hise sal nemen ende houden te wive,
Ende el ne gene bi sinen live
715 Nemmermeer ne sal minnen.
Hi deedse in enen tor binnen;
Daer vant si scone joncfrouwen in
Sevene ende twintech meer no min.
Alle dien beval hi met goeder trouwe
720 Goem te nemen te dier joncfrouwe
Ende te dienen dagelijc.
Doe seide hi ende bat haer gelijc
Dat sise troesten ende haer seiden.
Dat hi een jaer noch sal beiden
725 Eer hi haer wille genaken,
Ende hi dat doe bi derre saken.
Dat si die seden daer binnen sal leren;
Ende wilsi haren sin dan keren
701 orlof: afscheid.
702 rumeden : verlieten.
704 gescepe : vorm.
709 al sijn lijf : (gedurende) zijn gehele
leven.
711 seden: gewoonte.
712 Dor haren wille : om harentwille ;
bespreken: beloven.
714-5 En niemand anders ooit zal be-
minnen, zolang hij leeft.
716 tor: toren.
720 Goem te nemen te : acht te slaan
op.
722 haer gelijc: elk van haar.
723 troesten : zouden opbeuren.
726 hi derre saken : om die reden.
727 daer binnen : in die (tussen)tijd.
48
Them ende haers rouwen vergeten,
730 Daer tenden mach si weten.
Dat men hare verwedemen sal
Dat lant van Babyloniën al,
Ende mense sal cronen eerlike
Ende makense vrouwe van den rike.
735 Nu es Blancefloer in vremden lande
Hoe sere wringt si haer hande
Met groter clage, met groten wene!
In al der werelt quam nie gene
Clusenersse no so godelic wijf,
740 Die so lettel acht om haer lijf
Alse Blancefloer doet om dat hare.
Sine weet van rouwen hoe gebaren;
Hoe dicke seit si: «keitivech wijf,
Hoe sere rouwet mi mijn lijf!
745 Mi heeft verloren die scone Florijs,
Mijn soete lief, mijn soete amijs.
Ter bliscap daden wi scone begin,
Maer wi waren onlange daer in.
Tierst leefden wi met soeten spele,
750 Nu moeten wi droeven vele
Ende bliven emmer in den toren.
Die wüe dat ic wart geboren,
Die moet sijn vermaledijt.
Dit heeft beraden die leede nijt.
729 Touwen : leed.
730 Daer tenden : dan.
731 verwedemen (als weduwgoed) schen-
ken.
733 eerlike: luisterrijk.
734 vrouwe : heerseres.
736 wringt si haer hande : t.w. als uiting
van smart.
737 wene : geween, geweeklaag of droef-
heid.
738 nie gene : ooit een.
739 Clusenersse: ^slmzetates•, godelic : god-
vruchtig.
740 Die zo weinig geeft om haar leven.
742 Ze weet niet, wat ze doen moet van
verdriet.
743 dicke: vaak; keitivech: ellendig, ramp-
zalig.
744 Hoe smart het mij te leven.
746 amijs : beminde.
749 spele : vreugde.
751 emmer: (voor) altijd; m den toren: in
ellende.
752 wile : ogenblik.
753 vermaledijt: vervloekt.
754 Dat hedft de afschuwelijke afgunst
bewerkt.
49
755 Hi si vermaledijt, diet beriet
Dat men Florise van mi sciet.
Ay nijt, hoe quaet es dine nature!
Ochtu best enege creature,
Dier goet of evel mach gescien
760 Entie men mach horen ochte sien,
Ende daer men toe moge spreken,
So moet mi God over di wreken
Ende moet di senden ter dieper hellen,
Daer di die duvele moeten quellen
765 Emmermeer al sonder ende.
Du heefs mi gesent int ellende;
Ic wane, du Floris oec heves doet,
Ochte bracht in also grote noet.
Dat hem rouwet dat hi levet
770 Dor den rouwe, die hi om mi hevet.
Ay arme, twi segic om mi?
En weet ic wel dat Floris si
Van Spaengien eens heidens coninc kint?
Al hebbicken domlike gemint,
775 Ic weet wel dat hi mi niet geteme,
Ende mi niet en bestaet van heme,
Ende hem niet van mi te rechte;
Hi es van so hogen geslechte.
Dat ic sijns werdech niet en bem,
780 Maer dat hi mi mint ende ic hem.
Florijs mint mi utermaten,
So doe ic hem, in caent gelaten;
755 vermaledijt: vervloekt; beriet: be-
werkte.
756 sciet : scheidde.
757 nature : aard, wezen.
758 Mocht je een of ander levend wezen
zijn.
759 Die goed en kwaad kan overkomen.
762 moet : moge.
767 De denk, dat Floris ook al dood is
door jouw toedoen.
768 Ochte: of.
771 twi: waarom (twi segic: versta: hoe
kan ik zeggen).
772 En weet ic wel : weet ik dan niet.
775 geteme : past.
776-7 En ik geen recht op hem heb en
hij niet op mij heeft.
780 Maar hij bemint mij nu eenmaal en
ik hem.
782 in caent : ik kan het niet.
50
Mijns en canic raet geweten,
Sijns en canic niet vergeten.
785 Mocht sijn dat iet gedade.
Dat ic vergate so groter scade
Ende mochte bliven sonder toren
Van Florise, die ic hebbe vercoren.
Dien ic so van herten minne,
790 Dat waer groet cracht van minen sinne.
Soete vrient, en mach niet sijn.
Die rouwe sal bhven int herte mijn;
Beide bi dage ende bi nachte
Saltu sijn in mijn gedachte;
795 Alsic dijns genoeme ende gewage,
Daer bi cortic mine dage;
Die rouwe sal bhven met ons beden.
Talrerst worden wi gesceden
Bi groten nide, wel soete vrient.
800 Du best so hoefsch, du heefs verdient,
Datti alle die gene minnen
Van dien lande, die di kinnen.
God ware werd van grote lone.
Die di maecte: du best so scone,
805 So hovesch, so goet, so goedertieren.
Men soude cume vinden hem vieren
In der werelt, die di gehken.
Du vermaets di getrouwehken,
Dattu mi niet en souds begeven;
810 Nu moetic dor dinen wille leven
783 Ik kan er niets aan doen.
785 Indien ik het kon doen.
786 scade: rampspoed.
787 toren: smart, treurnis.
788 Van : over.
790 Dan zou dat van veel geestkracht ge-
tuigen.
791 en mach niet sijn: het kan niet, ik
kan het niet.
795 Wanneer ik je (naam) noem.
798 Talrersi: al gauw.
799 nide: afgunst.
803 Men zou God wel hooglijk mogen
prijzen.
806 Men zou er geen vier kunnen vinden
(cume: nauwelijks).
808 Du vermaets A ; je beloofde (vg. 2233,
eig. : je verstoutte je te zeggen).
809 begeven : in de steek laten.
810 dor dinen wille: om jou.
51
Sonder bliscap emmermeer.
Dese rouwe ende dit grote seer
Ne magie meer nu verwinnen,
Floris, en si bi diere minnen.»
815 Al dus heeft Blancefloer geclaget
Dien rouwe, die si int herte draget.
Al daer si es in vremden lande.
Vor haer herte leit si haer hande,
Haer dunct dat hare herte sal breken,
820 Van rouwen mach si niewet spreken.
Die joncfrouwen, die bi haer saten,
Ende sagense so harde meslaten,
Entie grote clage hoerden.
Si troestense met soeten woerden
825 Ende seiden, si dorste haer niet ontsien,
Haer en soude maer al goet gescien.
Nu latic van Blancefloere bliven,
Ende wille u seggen ende bescriven
Vanden portren, diese brochten
830 Ter marct te Nicle ende daer vercochten.
Si hadden haers heren gebod gedaen,
Haer dinc was hem wel vergaen.
Si hadden gewonnen harde vele
Ende keerden weder met groten spele.
835 Met groter bliscap mense ontfinc,
Ende gavense op haren here den coninc.
Als hi geboet ende woude.
Dat süver metten groten goude,
Daer toe die pellene entie sindale
840 Die heme bequamen harde wale.
813 Kan ik niet te boven komen.
814 en si bi diere minnen: tenzij door jouw
liefde.
820 nieuwet: niets.
822 harde meslaten : zeer jammeren.
825 si dorste haer niet ontsien : ze behoefde
niet te vrezen.
826 maer al goet : alleen maar goeds.
827 Nu zwijg ik voorlopig over
floer.
828 bescriven: schrijven.
829 portren : burgers.
834 spele : vreugde.
836 gavense op : zij overhandigde!
839 Zie de aant. bij 616.
840 Die hem zeer aanstonden.
S2
Die bliaude purper sanguine,
Die mantele rode pelline,
Die valken, die haveke, die sporewaren.
Die ors, die harde goet waren;
845 Den guldinen cop si daer toe gaven.
Die werd was vele haven.
Dien nam die coninc in sijn hant;
En was geen so goet in sijn lant,
Ende alle, die waren in die zele,
850 Si prijsdene ende besagene vele.
Nu hoert, wat doet die conincinne:
Si was noch droeve in haren sinne.
Dies en nam si gene ware.
«Here», seit si, «noch ben ic in vare
855 Ende ontsie noch ander ongeval,
Alse Floris weder comen sal
Ende om Blancefloere sal vraghen.
Wies wi dan best over een draghen.
Dat wi antworden, waer si es.
860 Ic ontsie mi ende sorge des
Alse hise hier niet en vint
Die hi so van herten mint.
Dat hem die droeflieit entie smerte
So vaste moge liggen int herte
865 Ende hi den rouwe gewinne so groet.
Dat hi hem selven sla te doet
Ocht in eneger manieren verdoe.
List ende raet behoeft daer toe.
Wat men hem best geseggen moge.
841 Zie de aant. bij 617.
842 Zie de aant. bij 618.
843 Zie de aant. bij 620.
846 Die zeer kostbaar was.
849 zele : (ridder)zaal.
853 Daarom schonk ze er (t.w. aan de
genoemde kostbaarheden) geen aandacht
aan.
854-5 „Heer", zei ze, „ik ben nog niet
gerust en vrees nog een andere ramp".
858 Wat we dan het best afspreken.
860 Ik ben bang.
865 En hij zo bedroefd zal worden.
867 Of hoe dan ook een eind aan zijn
leven maakt.
868 raet: slimheid.
53
870 Daer men sine droeve herte bi verhoge
Ende inenne met list levende behoude.
Verliesen v^^ine, hets bi onser scoude.»
«Vrouv^^e», sei hi, «gi segt v^^el,
Ic does uv^^en raet ende niet el.»
875 «Here», seit si, «gi selt doen touv^^en
Een graf ende dat van marbre houwen,
Beide van marbre ende van kerstale;
Dat doet maken ende bev^^erpen v^^ale
Beide met zilvere ende met goude.
880 Dan mach menne ontbieden houde,
Ende als hire omme vraget, so mogen v^^i
Doen seggen, dat si begraven si.
Hi en sal niet lange merren.
Dat mochter ons lichte ane v^^erren,
885 Des selen v^^i te harder haesten daer mede.»
Te hant die coninc ombieden dede.
Na dien dat sijn moet gedroech,
Goede meestre ende diere genoech,
Ende daer toe diere goutsmede.
890 Hi v^^ijsde hem ene scone stede
Ende seide, dat si namen goem.
Doe begonnen si werken onder enen boem
Vor enen monster een eerlijc graf,
Daer men wonder mag seggen af.
895 Het was van kerstale ende van marberstene,
870 verhoge: opbeurt.
872 Als we hem verliezen is het onze
(eigen) schuld.
874 does: doe hierin; niet el: niets anders.
875 touwen : maken.
876 marbre : marmer.
877 hrstale : kristal.
878 bewerpen : afzetten.
880 Dan kan men hem onmiddellijk
laten komen.
883 merren : toeven.
884 Dat zou ons wel eens in ongelegen-
heid kunnen brengen.
886 Te hant: terstond; ombieden: ont
bieden.
887 Zoals hij wenste.
888-9 „Een genoegzaam aantal goed
metselaars en bovendien voortreffelijk
goudsmeden".
891 namen goem : zorgvuldig te werk zou
den gaan.
892 werken : aanleggen.
893 monster: Zie de aant. bij 101; eerlijc
prachtig, schitterend.
895 kerstale: Zie de aant. bij 877.
54
En was creature ne gene
Si en stonder in gescreven:
Die vogel die in die lucht sweven,
Serpente, liebarde met andren dieren,
900 Ende vissche die in der rivieren,
In des zeewes gronde swemmen.
Met dieren stenen ende met gemmen
Scierden die goutsmede haer werke.
Ten hoefden setten si opten serke,
905 Daer ment best moge bescouwen.
Een beelde van finen marbre gehouwen,
Beworpen van zilvere ende van goude
Ende van varwen menichfoude.
Blauwe, roet, gelu ende groene.
910 Bider wijsheit van Salomoene
Ende bi haers selfs list groet
Makeden sijt, dat emmer boet
Sijn hant ter sonnen waert gerect.
Al waest metten swerke bedect;
915 Ende also die sonne daer ane sceen,
Sone was man in die werelt geen.
Die so claer hadde die oghen
Dat hi den scijn mochte gedogen.
Si setten midden op dien sarc
896-7 (Er was) geen enkel dier of het
was er op afgebeeld.
899 liebarde : leeuwen.
901 In ; versta : en in ; des zeewes gronde :
die diepte van de zee.
902 Met kostbare (edel)stenen (gemmen =
edelstenen) .
903 Scierden : versierden, verfraaiden.
907 Beworpen : Zie de aant. bij 878.
910 Naar het schijnt een weergave van
1'euvre Saleinon. Het „Saloino's werk"
was oorspronkelijk vermoedelijk een be-
paalde wijze van beeldhouwen, later
veralgemeend tot „oosterse, exotische
trant". Heeft Diederic van Assencde de
Franse A-redactie gevolgd, dan kan hij
in Ia trifoire Salemon „prachtig drijf- of
inlegwerk" bij trifoire mogelijk aan trivium
hebben gedacht en dit met wijsheit hebben
vertaald (Leendertz).
911 list: kundigheid.
912-3 dat emmer boet Sijn hant Ier sonnen
waert gered: (zo)dat het altijd zijn hand
in de richting van de zon hield uitge-
strekt.
914 Al was de lucht bewolkt.
915 also ; wanneer.
916-7 Was er niemand, die zulke sterke
(? of volmaakte?) ogen had.
918 mochte gedogen : zou kunnen verdra-
gen.
55
920 Twee kinder, die werd waren meneger mare,
Ocht mense vercopen soude.
Si waren al gewracht van goude
Ende waren harde rijclijc.
Deen was Florise ane gelijc;
925 Dat ander stoet in diere gebare,
Ocht Blancefloer sine amië ware.
Blancefloer hadde van goude roet
In die hant ene rose, die se boet
Ende hik vor dansichte haers amijs.
930 Al dies geHke hilt Florijs
Ene lylie vor sire amiën.
Die bloemen waren bi meestriën
NaturHc gemaect ende scone.
Haergelijc hadde ene guldene crone
935 Opt hoeft wonderHke goet.
In Florijs crone een carbonkel stoet,
Diet so Ucht om hem maecte,
Weltijt sore iemen bi genaecte.
Dat hi also claer daer bi gesach
940 Ocht sonne scijn waer ende middach.
Hoert noch wat men lesende vint:
Daer mocht men sien den wint
Ende lange pipen, daert waide dore;
Alle den genen, diere leeden vore,
945 Dochtet wonderlike dinc.
Van den winde, die dor die pipen ginc.
920 werd: waard; man: goud- of zilver-
stuk.
921 Ocht: indien.
923 horde rijclijc : zeer fraai.
924 was Florise ane gelijc : leek op Floris.
925 stoet in diere gebare : stond in zo'n
houding.
926 Ocht: alsof het; amiè: liefste.
929 amijs: liefste.
930 Al dies gelike: op precies dezelfde
■wijze.
932 bi meestriën ; meesterlijk.
933 Naturlic gemaect (naar de natuur) na-
gemaakt.
934 Haergelijc: ieder van hen (t.w. Floris
en Blancefloer).
936 carbonkel : Zie de aant. bij 659.
938 Weltijt sore: wanneer ook maar er.
939 claer: duidelijk.
941 lesende: te lezen of gelezen (t.w. in
's dichters Franse voorbeeld).
944 leeden vore : voorbijgingen.
946 Van : door.
56
Waest so gemaect met luste,
Dat deen den andren dicke custe,
Beide custe ende heisede vele.
950 Al waiende stoeden si met spele.
Als die wint weder gelach,
Haer gelijc bleef staende ende sach
Vriendelijc ins anders oghen.
Doe begonden si die bloemen toghen,
955 Die si in haer hande droeghen;
Als ocht si hem onder loeghen
Ende leefden, also gebaerden si;
Dat dochte hem allen dier waren bi.
Daer was oec een boem geplant,
960 So gedanen vint men genen int lant.
Die was geset int graf ten hoefden;
Sine swige bloeiden ende loefden
In allen tiden van den jare.
Dat was die waerheit openbare.
955 Dien boem willic u noemen:
Hi hiet ebenus, sine bloemen
Waren wit ende roet;
Sijn hout hadde nature groet:
Al warp ment in een vier binnen,
970 En mochte vier no brant gewinnen;
Sine loever gaven oec
Den soetsten roke, dien ie man roec,
Ende soeter dan wi geseggen connen.
Ten voeten stoet oec jegen der sonnen
947 met luste : kunstig.
949 heUede: omhelsde.
950 Door de wind bewogen liefkoosden
ze elkaar (AI waiende wellicht te lezen:
Aht waiede: als het woei).
951 Als de wind was gaan liggen.
952 Stond ieder stil en keek.
953 anders : van de ander.
954 toghen : te tonen.
956 Alsof ze naar elkaar lachten.
957 also gebaerden si: zo deden ze zich voor.
960 Zo vindt men er niet één in het land.
961 ten hoefden : aan het hoofdeneind.
962 sivige : takken ; loefden : droegen loof
964 openbare : stellige, ontwijfelbare.
966 ebenus: ebbenboom.
968 nature : kracht, vermogen.
970 Het vuur zou er geen vat op krijgen.
972 roke : geur ; ie man : ooit iemand.
974 Ten voeten stoet: aan het voeteneind
stond ; jegen der : in de.
57
975 Een boem, die heet tyrebijn;
Sijn roke mochte niet soeter sijn.
An die rechter side stoet een crismier,
Ende an die luchtre een balsemier,
Die gerechte balseme gaf;
980 Daer mocht men die balseme sien vallen af;
Van den crismiere droep crisme neder.
Van dien tween bomen en was no weder,
Hi en gaf den roke so goet.
Dat hem dochte dier onder stoet,
985 Dat hi ware int paradijs.
Die dese viere bome plante, was wijs.
Alle die gode, die waren doe
Doe hise sette, hi beswoerre toe.
Die gode die daden die boeme groeien,
990 Alt jaer loeven ende bloeien.
Daer boven plaghen altoes te sine
Ende in te singene vogelkine.
Die nie en worden so bedwonghen,
No somer no winter, si en songhen.
995 So soete geluut si onder hem maecten,
Weltijt dat si twee daer genaecten,
Eneghe joncfrouwe met enegen jongelinge.
Die gelieve waren onderlinge.
Die hovcsch ende naturlec waren,
1000 Die moesten te hant haer minne baren;
Van selker naturen was die sanc.
975 tyrebijn: terpentijnboom?
976 Zijn geur was allerheerlijkst.
977 crismier: soort balsemboom.
978 luchtre : linker ; balsemier : balsem-
boom.
979 gerechte : echte.
981 crisme: soort welriekende olie.
982-3 Elk van beide bomen verspreidde
een zo heerlijke geur.
988 beswoerre toe : riep (onder ede) hierbij
aan.
990 loeven : loof dragen.
993 Die nooit ophielden (eig. verhinderd
werden), in de zomer noch in de winter,
te zingen.
995 hem : elkaar.
996 Wanneer er daar twee kwamen.
997 Eneghe joncfroutve : een (of andere)
jonge dame.
999 naturlic waren: natuurlijk menselijk
gevoel bezaten.
1000 baren : tonen.
1001 Die zang had zulk een (magische)
kracht.
58
Tierst dat si horden dat gedane,
Si liepen te samen haestelike
Ende onder custen hem vriendehke.
1 005 Die minne was soeter, die si dreven.
Dan ic u telle of vinde gescreven.
Maer was een dorper ocht een dore,
Als hi lieden soude daer vore,
Tierst hi hoerde der vogle sanc,
1010 Hi gewan daer af so groet bedwanc.
Dat hi hem gere minnen daer naer
Ne onder want, maer al daer
Moest hi slapen ter selver stede,
So besweken hem alle die lede.
1015 Dese boeme stoeden alle viere
Om dat graf, dat so diere
Was ende so goet, dat iet geprisen
Niet en mach na sire wisen.
Om ene joncfrouwe was niene geen
1020 So goet gemaect; menich rijclec steen
Waser an geset, daer dogede an lagen
Ende oec miracle te doene plagen:
Sofiere, jogonten, calcedoniën,
Miraude, bericolen ende sardonen,
1025 Jaspen, crisoliten, diamanten,
Ametisten, topasen, jocanten.
1002 Tierst dat : zodra.
1003 Liepen ze vlug naar elkaar toe.
1004 En kusten ze elkaar innig.
1005 die si dreven : waaraan ze uiting
gaven.
1007 was: versta: was er; een dorper ocht
een dore: Zie de aant. bij 3.
1008 Zie de aant. bij 944.
1009 Tierst: zodra.
1010 Ondervond hij daarvan zo'n (ver-
lammende) werking.
1011 gere: geen.
1012 ne onder want : bedreef.
1014 besweken hem : verloor hij de macht
over.
1016 diere: kostbaar.
1018 na sire wisen : zoals het betaamt.
1019 Om : voor; niene geen : (er) nooit een.
1020 rijclec steen : kostbare (edel)steen.
1021 daer dogede on lagen : die (bijzondere)
vermogens bezaten.
1022 Ende : versta : en die.
1023 jo/iere : saffisien; jogonten : soort ro-
bijnen; calcedoniën: soort topasen.
1024 Miraude : smaragden ; bericulen : be-
rillen; sardonen: sardonixen.
1025 Jflspen ; jaspissen.
1026 jocanten = jogonten (zie aant. bij
1023. VooT jocanten moet men misschien
lezen acanten: agaten).
59
Met dieren lijsten waest graf bevaen.
Daer mocht men oec sien ane staen
Lettren al gescreven van goude,
1030 So openbare, wie so woude
Ende lesen conde, dat hi las.
Nu hoert, ic seggu wat dat was:
Daer stont: «Hier leget Blancefloer
In dit graf, op desen vloer,
1035 Die de jonchere Floris, dat scone kint.
Met gestadeger herte hadde gemint.»
Doe dede die coninc over al gebieden
Van sinen lande aUe den lieden,
Kint ende kinne, man ende wijf,
1 040 Also lief alsi hadden haer lijf.
Dat niemen der waerheit soude liën
Jegen Florise van siere amiën,
Ende niet souden seggen el van hare
Dan dat si doet ende begraven ware.
1045 Doe ontboet men Florise dat hi quame.
Die boedscap was hem wel gename;
Hi gereidde hem ende nam orlof
An aUe die gene, die waren int hof.
Willike keerde hi te lande weder.
!05o Hi reet in die zale; daer beette hi neder;
Hi groete sire moeder ende sinen vader,
Ende daer na dandre alle gader.
Hi vraechde te hant om sire amiën;
Hem antworde niemen no dorste Hën
1027 hevaen: afgezet.
1030-31 Zo duidelijk, dat ieder die wilde
het kon lezen, als hij die kunst verstond.
1034 Op de bodem van dit graf.
1036 Trouw beminde.
1039 kinne: maag, verwant.
1040 Op straffe des doods {lijf : leven).
1041 liën: belijden, zeggen.
1042 Jegen : aan.
1043 el: (iets) anders.
1046 wel gename: zeer aangenaam.
1047 gereedde hem: maakte zich gereed.
orlof: afscheid.
1049 Willike: vlug.
1050 heette hi neder: steeg hij af (t.w. van
zijn paard).
1053 om: naar.
1054 liën : bekennen.
60
1055 Die rechte waerheit, alse mense wiste.
Doe hise niet sach ende hise gemiste,
Wart hi vervaert ende sere ondaen
Ende liep wech ter cameren saen,
Daer hi haerre moeder in bevoer.
1060 «Vrouwe», seit hi, «waer es Blanceflocr,
Mine amië, die ic bier liet?»
«U amië, des en weet ic niet.»
«Ghi houd u sceren.» «In doe.» «Gi doet.»
Die vrouwe wart droeve in haren moet,
1065 Alsi hoerde gewagen van harre dochter.
Florise wart in lanc so onsochter:
«Roepse mi», seit hi, «haesteHke!»
Si antwerdde wider vroedelike
Ende seide, sine wiste niet waer si ware.
1070 Hi wart in lanc so meer in vare:
«Vrouwe», seit hi, «ghi doet quaet,
Wijstse mi ende doet den raet
Dat ghise mi haestelike doet sien!»
Does ander raet en mochte gescien,
1075 Hi en moeste iet van haer weeten,
Seide si, alse haer was geheten.
Dat si doet ende begraven ware.
Doe en wilde hijs niet geloeven hare
Onthier ende sijt hem swoer.
1080 «Ay mi», seit hi, «es Blancefloer
Mine wel soete amië doet?»
Hi wart in dansichte harde roet,
1055 alse: zoals.
1058 cameren : vrouwenvertrek; saen : snel.
1059 bevoer: aantrof.
1063 „Ge houdt me voor de gek". „Dat
doe ik niet". „Dat doet ge wel".
1066 Floris werd hoe langer hoe bedroef-
der.
1068 wider: verder (voor wider leze men
liever weder: weer); vroedelike: bedacht-
zaam, gereserveerd (vg. 2010).
1070 Hij werd hoe langer hoe ongeruster.
1072 doet den raet: maak.
1074 Toen er niets anders opzat.
1075 Hi en: of hij.
1076 geheten: opgedragen.
1078 hijs: hij daarin.
1079 Onthier ende: totdat.
61
Daer na so wonderlike bleec,
Dat sine varwe enen doden geleec.
1085 Doe moest hi al met allen swigen,
Want hi began daer neder sigen
Ende viel in onmacht optie erde.
Die vrouwe haer dies ververde
Ende gaf enen crijt harde luut,
1 090 Dat ment in den hof ende daer uut
Mochte horen gereedeUke.
Doe quam gelopen haesteUke
Beide gader ter cameren binnen
Die coninc metter conincinnen,
1095 Ende dreven groe^ seer ten selven stonden,
Daer si haer kint in onmacht vonden.
Floris lach lange in onmacht;
Als hi bequam ende hem wart gesacht:
«Ay mi, wat heeft mi die doet geweten,»
1100 Seit hi, «dat si mijns heeft vergeten
Ende Blancefloere nam? Sine dede niet wale:
Noch biddic haer dat si mi hale,
Ende si mi lede ende wise
Int gebloeide velt ten paradise,
1105 Daer ombeit mijns haer ziele.
Wat waendi, ocht so geviele,
Hoe bhde ic van haer wesen soude!
Ay arme, ocht mi leiden woude
Tharen grave iemen goeder!»
1085 al met allen : geheel en al.
1088 haer dies ververde: schrok daarvan.
1089 crijt : schreeuw.
1090 uut : buiten.
1091 gereedelike : duidelijk.
1095 seer: misbaar.
1098 Toen hij (weer) bijkwam (hi be-
quam = hem wart gesacht).
1099 Wee mij, wat heeft de dood tegen
mij.
1101 Sine dode niet wale: ze heeft niet
goed gehandeld.
1103-4 En dat ze mij moge voeren naar
het bloemenveld (eig.: bloeiende veld,
d.i. veld vol bloemen) in het paradijs.
1105 ombeit mijns: wacht op mij.
1106-7 Hoe verheugd, denkt ge wel, in-
dien dat mocht gebeuren, dat ik over (het
weerzien van) haar zou zijn.
1108-9 Och arme, of (toch) een goed
mens mij naar haar graf wou brengen.
62
1110 Doe namen die conincinne, sijn moeder,
Ende leidden selve al daer,
Daer si hem seide over waer
Dat Blancefloer begraven lach.
Tgraf dochtem scone, daer hijt sach.
1 1 1 5 Hi vant die lettren ende las
Wat so daer ane gescreven was.
Hi las: «Hier leget Blancefloer
In dit graf, op desen vloer.
Die de jonchere Floris, dat scone kint,
1120 Met gestadeger herten hadde gemint.»
Doe sach hi kinder lachgende staen.
Van rouwen wart hi so ondaen.
Dat hi drie werf beswalt achter een,
No mochte spreken wort ne geen,
1125 No mochte sien no antwerden.
Sijn moeder stont daer te jegen werden.
Als hi bequam them selven weder,
Vor die kinder ginc hi hggen neder
Ende weende ende claegde sijn ongeval groet
1130 Van Blancefloere ende van haerre doet.
«Ay Blancefloer», sei hi, «Blancefloer,
Sident dat ic van di voer,
Leefdic met groten ongemake.
Wistic op wien, hoe geme iet wrake,
1135 Dat ic di dus hebbe verloren.
Wi waren in enen dag geboren,
Ende gewormen in ere nacht —
1110 namen: nam hem.
1111 leidden: bracht hem.
1112 over waer: voor waar, waarheid.
1114 daer : toen.
1117-20 Zie de aant. bij 1033-6.
1122 ondaen: buiten zichzelf.
1123 beswaU: bezwijmde.
1124 En geen woord kon spreken.
1126 te jegen werden: bij.
1127 bequam : kwam.
1129 claegde sijn ongeval: beklaagde zijn
rampspoed.
1 132 Sident dat : sinds.
1133 met groten ongemake: in grote droef-
heid.
1134 Hoe graag zou ik het wreken, als
ik maar wist op wie.
63
Dus waest gerekent ende geacht —
Gehouden ende geleert te samen,
1140 Onthier ende wi so verre quamen,
Dat men verriet ende sciet ons beden.
Met rechte soudwi henen sceden
Vander werelt binnen enen dage.
Niemen wancons mi, dat ic di clage.
1145 Ic ben serech utermaten.
Te minen live heefstu mi gelaten
In rouwen ende in groten wene.
So hovesch en sach nieman gene
In der werelt, no soeter wijf.
1150 So scone, so soete was dijn lijf,
Dat iet geseggen niet en can.
Ic wane dat in dese werelt man
So vroet ne geen es, die can gescriven
Te rechte die scoenheit van. dinen live.
1155 Du waers spiegel van al den rike;
Du hilts di harde suverlike.
Nie gewan wijf so goede seden
Als du hads, no so scone leden,
So scone ogen, den mont so soete,
1160 So scone antwerde, so scone groete.
Du verwons met dogeden al dine gespele.
Du hads gemaect vriende so vele.
Dat si di loveden ende minden
Ende priseden alle, die di kinden.
1138 Zo had men het berekend en daar-
voor hield men het.
1139 Gehouden: opgevoed.
1140 Onthier ende: totdat.
1142 henen sceden: heengaan.
1144 Niemand moge het mij euvel dui-
den, dat ik mijn nood aan je klaag.
1145 serech: bedroefd.
1146 Te minen live: voor mijn (gehele
verdere) leven.
1147 wene: ellende.
1152-3 Ik geloof niet. dat er op het ogen-
bhk in de wereld iemand zo knap is, dat
hij kan beschrijven.
1155 spiegel: een toonbeeld, versta: de
uitnemendste.
1 1 56 Je gedroeg je zo keurig.
1157 Nie gewan: nooit kreeg; seden:
manieren.
1160 Sprak zo fraai met zulke hoofse
gebaren.
1161 Je overtrof al je vriendinnen in aan-
gename eigenschappen.
64
1155 Niemen darf mi wanconnen dies,
Dat mi nie verleedde no verwies
Dat ic di minde gestadelike.
Wi onder minden ons verholenlike :
Beide met scriven ende in Latijn
1 1 70 Dedic di verstaen den wille mijn
Ende minen raet, so dadestu mi,
Dat sijs niet verstonden dier waren bi.
Ay doet, hoe nidech ende hoe sure
Sijn dine seden ende dine nature!
1175 Du best mordadech als een dief.
Du haets die di hebben lief,
Maer siestu iemen leven met spele
Ende der bliscapen hebben vele.
Dien biedstu storm ende wijch
1180 Ende sets an hem dinen crijch;
Dien neemstu en werpsen openbare
Uter bliscapen, daer hi gernc in ware.
Maer roept di een arm keytijf.
Die onwerd heeft sijn arme lijf,
1185 Dien oec selden goet gesciet.
Te hem en wiltu comen niet.
Des heefstu enen vremdcn sede:
Du en wils die di volgen mede.
Dat mach men an mi merken wel.
1190 Ic rocpe, ende du best so fel.
1165-7 Niemand mag het mij euvel
duiden, dat het mij nooit heeft verdroten
je trouw te beminnen {verleedde — ver-
wies : tegenstond).
1168 onder minden ons: beminden elkaar.
1169-71 Zowel door middel van brieven
(versta ; die ongeletterden toch niet kon-
den lezen) als door Latijn te spreken, ver-
telde ik je, wat ik maar wou {raet =
wens), precies zo deed jij.
1173 nidech: boosaardig; sure: afschuwe-
lijk.
inS mordadech : gewetenloos; dief: mis-
dadiger.
1177 met spek: vreugdevol.
1179-80 Die val je aan en daag je uit
{storm — aanval, wijch = strijd) en ver-
klaart hem de oorlog.
1181 werpsen: werpt hem; openbare:
openlijk, voor ieders ogen.
1183 arm keytijf: arme drommel.
1184 Die niets om zijn miserabele leven
geeft.
1188 Die jc zoeken, wil je niet hebben.
1190 /c/; wreed, meedogenloos.
65
Dattu mire clage niet wils horen.
Ic sal mi harde cume verhoren,
In sal di soeken ende vinden gereet.
Ic sal doen na dien dat mi steet,
H95 So waer so ic mi sal bewenden.
Eer dese dach sal comen ten ende,
Salie mi selven nemen dat lijf.
Ens in der werelt man no wijf,
Hi en mogre Hchte bewerven,
1200 Dat hi hem selven snieme doe sterven.
Ic sal mi doden, ic hebbe die gewelt
Ende varen int gebloeide velt,
Daer Blancefloeren siele jegen die inine
Gadert ende leset bloemekine.»
1205 Doe rechte hem Floris van den grave.
Niet verre bleef hi staende daer ave ;
Tenen griffie voedersele hi vinc
Daer ene guldine griffie in hinc,
Die hem hadde gegeven Blancefloer
1210 Op minne, doe hi van haer voer.
Alse Floris die griffie uut trac,
Hi hiltse vor hem ende sprac:
«Dese griffie, Blancefloer, daeddi maken
Ende gaefse mi bi derre saken,
1215 Als icse dan saghe, dat si woude
Dat ic haers gedinken soude.
1192-3 Ik zal niet nalaten (of; aarzelen)
je te zoeken en aanstonds te vinden.
1194-S Ik zal doen, wat ik doen moet,
wat er ook moge gebeuren.
1198Bu: er is (niet).
1199-1200 Of hij kan gemakkelijk een
eind aan zijn leven maken (snieme doen
sterven: snel doen sterven, versta: zelf-
moord plegen).
1201 gewelt: macht.
1202 Zie de aam. bij 1104.
1203-4 Waar Blancefloer's ziel zich voegt
bij (zich verenigt met) de mijne en bloem-
pjes plukt.
1205 rechte hem: stond op.
1206 Me( verre ... daer ave: niet ver
daarvandaan.
1207 Hij greep een grifFelkoker (of grif-
felfoedraal).
1208 griffie: griflfel, schrijfitift.
1210 Op minne: als aandenken.
1211 uut trac: t.w. uit de koker of het
foedraal.
1214 bi derre saken: daarom.
1215 si t.w. Blancefloer.
66
Nu leget mijn troest an di allene,
Du sak mi lossen uten wene,
Daer ic in ben, ende nemen mi dat leven,
1220 Al ne waerstu mi niet daer toe gegeven.
Haest, dats wesen sal, dat doe.»
Metten woerde droech hise hem toe
Ende wildse te sire herten steken inne.
Dit sach sijn moeder, die conincinne,
1 225 Ende liep te hem waert ende prant
Haestelike die grefFie uut sire hant.
Nu hort, hoe sine daer na begonste
Te castiene, alsi wel conste:
«Floris», sei si, «wel lieve kint,
1230 Hoe domplike heefstu gemint
Ende best keytijf van dinen live,
Dattu dor die minne van enen wive
Di selven wüds verslaen ter doet
Ende dogen dor haer die grote noet.
1235 Ens in der werelt niemen altoes
No verwoet no sinneloes
Hi en hadde liever in grote pine
Blint ende doef ende stom te sine
In dese werelt emmermeer
1240 In rouwen ende in groet seer.
Dan te dogene die bitter doet:
Die anxt van haer hi es so groet.
Wat waenstu datti soude vromen
Dattu di versloeges? Waenstu dan comen
1217 Nu ben jij mijn enige toevlucht.
1218 lossen uten wene: verlossen uit de
ellende.
1221 Vooruit, doe wat (er) gedaan moet
worden.
1222 Daarmede richtte hij ze (t.w. de
„griffie") op zich.
1225 prant: greep.
1227 sine : zij hem.
1228 castiene : vermanen, terechtwijzen.
1231 En wat geef je weinig om je leven.
\2M dogen: lijden; dor: om; die grote
noet: de dood.
1235-6 Er leeft geen mens (eig.: er is op
de wereld absoluut niemand), die zo ver-
dwaasd is (No . . . tto, lees So . . . so).
1237 Hl en hadde: of hij zou.
1241 dogene: lijden.
1242 van: voor.
1243 waenstu : denk je; vromen : baten.
1244 Dattu di versloeges : indien je je zou
doden.
67
1245 Int gebloeide velt int paradijs?
Neen du niet, dies benic wijs,
Dat en sal di niet mogen gescien,
Daer en saltu Blancefloere niet sien:
Daer es binnen so grote core,
1 250 Dat men hem allen verseit die dore,
Ende menre niemen wille geboren.
Die besondecht sijn te voren.
Du sak dijn woninge kiesen elre,
Ende varen ter helle in den donkren kelre,
1 255 Daer Biblis es ende Dido,
Die so serich sijn ende so onvro,
Datsi met clagene die wincle vervullen.
Daer soeken si ende soeken sullen
Emmermeer ende niewet vinden
1260 Haer amise, die si minden
Ende so starke minne droegen.
Dat sire hem selven omme versloegen.
Floris, nu hebt goeden troest:
In toewaert bestu wel na verloest;
1 255 Di sal noch vele goeds gescien:
Ic wane, du salt noch levende sien
Blancefloeren, diere amië;
Ic weet noch selke ersatrië.
Dat icse bider cracht, dier leget ane,
1270 Levende weder gewinnen wane.»
1245 Zie de aant. bij 1104.
1246 dies benic wijs: dat weet ik zeker.
1249 core: strengheid van oordeel.
1250 fcem allen: al diegenen; verseit die
dore: weigert binnen te laten.
Ï25\ gehoren: inlaten (eig. een gunstig
oor lenen).
1252 Die zich in hun leven met (zware)
zonden hebben bezoedeld.
1253 elre: elders.
1255 Biblis: zuster van Caunos, op wie
ze hartstochtelijk verliefd werd, waarna
ze uit wanhoop zelfmoord pleegde;
Dido : minnares van Aeneas te Carthago ;
toen deze haar verliet, maakte ze een
eind aan haar leven.
1256 serich, onvro: bedroefd.
1257 wincle: hoeken.
1259 niewet: niet.
1261 En die (ze) zo hartstochtelijk lief-
hadden.
1262 versloegen: doodden.
1263 troest: moed.
1264 Aan je rampspoed zal nu gauw een
einde komen (In toewaert: thans, nu).
1268 ersatrië: tovermiddel.
1269 dier leget ane: die het bezit.
1270 Weer levend denk te maken.
68
Doe ginc si wecb ten coninc waert
Rouwech ende sere vervaert.
«Here», sei si, «hoe geme ic u bade,
Dat ghi ons kints hadt genade.
1275 Siet hier die griffie, die hi hadde geset
In sijn herte te stekene; ne haddict belet,
Hi ware doet te derre stede.
Ic was daer bi ende ic dede
Den raet dat ics hem bi Uste
1280 Ontrac, eer hijs selve iet wiste.»
«Vrouwe», seit hi, «nu en weest niet te ga:
Ic wane, hi hem selven niet versla;
Ghi selt varinge sien dat hi sal
Sire sericheit vergeten al.»
1285 «Here», seit si, «dan mach niet wesen:
Van den rouwe sal hi cume genesen.
En si dat hi sterve ende niet eer.
Wine hebben al der kinder meer
Dan hem, ende ocht wi dat verslaen,
1290 Het sal ute breken saen.
Dat si bi ons, ende die niemare
Sal lopen ende worden mare.
Dan sal groet sijn onse scande
Ende onse lachter in allen lande.»
1295 «Vrouwe», seit hi, «het ware quaet.
1272 RoHwec/i; bedroefd; vervaert : ang-
stig.
1276 ne haddict: indien ik het niet had.
1277 Hij zou nu dood zijn.
1278- 9 ic dede den raet: ik maakte.
1279- 80 ics hem bi Uste Ontrac: „dat
ik hem handig daarvan afbracht" (Leen-
dertz)? Of toch: dat ik ze (t.w. de griffie)
hem handig ontnam?
1280 eer hijs selve iet wiste: vóórdat hij er
erg in had.
1281 ga: voorbarig.
1282 wane: denk; versla: zal doden.
1283 varinge: spoedig.
1284 sericheit: smart.
1285 dan (uit dat en) : dat.
1286 cume : niet.
1287 En si dat: tenzij.
1288 Wij hebben geen andere kinderen.
1289 ende ocht wi dat verslaen : en indien
we dat doden (versta : indien wij oorzaak
zijn van zijn dood).
1290-2 Zal het gauw bekend worden,
dat het door ons (gekomen) is en het
nieuws zal verbreid en wereldkundig
worden.
1294 lachter : schande.
69
Dadics el dan uwen raet;
Van hem beden volgics u.»
«Here», seit si, «wel segdi nu.
Wi moghen oec weten wel gerede,
1300 Dat wise te gader selen hebben bede
Ochte gader beide verliesen
Van desen moeten wi dat beste kiesen.»
«Vrouwe», seit hi, «so segget heme.
Dat hi ne genen rouwe neme
1305 Ende hi bHde wese ende vro.
Want die rechte waerheit draget also.
Dat Blancefloer sine amië levet.
Die hi harde gemint hevet.»
Si keerde haer omme ende loech,
1310 Der woerde dochten haer genoech,
Ende ginc te Florise weder allene.
«Sone», seit si, «niet en wene,
Ic sal di seggen ende liën
Die rechte waerheit van dire amiën:
1315 Si levet, daer es niet int graf.
Wi hebben di geseit logene daer af,
Ende daden seggen beide gader
Bi onser lust, ic ende dijn vader.
Dat si doet ware. Dat wi dat seiden,
1320 Daer bi waenden wise di verleiden.
Wi waenden, als duse doet souds weten
Dattu haerre minne souds vergeten
Ende nemen dan eens coninx dochter;
1296 Indien ik hierin niet handelde naar
Uw wens.
1297 Van hem beden: ten aanzien van
beiden (t.w. Floris en Blancefloer).
1298 wel segdi nu : dat is goed gesproken.
1299 gerede : zeker.
1304 Dat hij niet (meer) treure.
1305 Ende: maar (dat).
1306 draget also : is deze.
1308 Die hij innig lief heeft.
1309 loech : lachte.
1310 Zie had genoeg gehoord of: ze vond,
dat er genoeg was gezegd.
1313 liën : verklaren.
1315 niet: niets.
1318 lust: list (bi onser lust: met opzet?).
1320 Daardoor dachten we te bewerken,
dat je je hart van haar zou aftrekken
(Verdam)? Of: meenden we ze je te
ontnemen ?
70
Des souden wi hebben geleeft te sochter
1 325 Dan ochti Blancefloer bleve te wive
Emmermeer te dinen live.
Om dat si onedel ende kersten es,
Entijn vader wilde niet gehingen des
Dat si dijn wijf soude wesen bleven,
1330 Wilde hise verdoen; maer hi lietse leven
Bi den rade, die wi hem rieden,
Ende bevalse comannen ende deedse bieden
Te cope ter marct, daer hise sande.
Daer cochtense comanne van verren lande
1 335 Met groten scatte haesteUke,
Ende voerdense wech in vreemden rike.»
«Vrouwe», seit hi, «segdi mi waer?»
«Jaic», seit si al sonder vaer
«Ic salt die doen sien ogeUnge.»
1340 Doe deedsi roepen jongeUnge,
Die dapper waren ende starc.
Ende dede opHchten den sarc.
Alse Floris niet en vant daer onder,
Hi dankes Gode, het dochtem wonder,
1345 Doe seide hi dat hi wilde leven.
Daer wart die rouwe sciere verdreven
Vander bliscap; hi wart so bhde.
Dat hi hem vermat te veme sonder bide
Ende ne ghere rasten onder winden,
1324 Dej ■■ zo, dan ; te sochter: prettiger,
gelukkiger.
1325-6 Dan wanneer je Blancefloer voor
je hele leven tot vrouw had gekregen.
1327 kersten : christin.
1328 wilde niet gehingen des: niet wou toe-
staan.
1329 wesen hieven: zijn geworden.
1332 bevalse: gaf ze mee aan; bieden: aan-
bieden.
1337 waer: de waarheid.
1338 sonder vaer : zonder te aarzelen ? Of:
uit de grond van haar hart ?
1339 ogelinge: met eigen ogen.
1341 dapper : flink.
1343 niet: niets.
1344 dankes : dankte daarvoor.
1346 sciere : snel.
1348-51 Dat hij besloot (of: verklaarde)
onmiddellijk te vertrekken en niet te
rusten, maar haar onverdroten te zoeken
tot hij ze gevonden had, waar ze ook
mocht zijn {verne: vertrekken, sonder
bide: onmiddellijk, Waer sose: waar ze
ook, genendelike: onverdroten).
71
1 350 Hi en soudse soeken ende vinden,
Waer sose ware, genendelike
Ende brengense weder blidelike.
Maer hi des niet merken woude.
Wat pinen hi daer omme dogen soude,
1355 Ende hoese hem soude werden te sure.
Dat seide Diederic, die dese aventure
In Dietsche uten Walsche vant,
Dat menre soude lettel vinden in dlant.
Die souden willen geloeven dies,
1360 Dat iemen so sot ware ende so ries
Ochte van so coenen sinne,
Die soude dorren dor enege minne
Die grote coenheit doen, die hi sal bestaen.
Vander bliscap, die hi heeft ontfaen,
1 365 Sone roeket hem wat over geet.
Hi gaet ten coninc, daer hine weet,
Ende sijn moeder emmer an sijn side.
Hi gaet serech ende hi gaet blide.
Om Blancefloere serich ende erre,
1 370 Dat si es gesent so verre,
Ende andersins blide dat si levet.
«Here», seit hi, «ic bidde u dat gi mi gevet
Orlof te vame, ic wilse soeken,
Blancefloer, — wat darf mi roeken,
1375 In welken lande ic mi bekere? —
Des icse vinde; noch biddic, here.
^353 des: daaraan; merken: aandacht
schenken.
1354 pinen: moeiten; dogen: verduren.
1355 En wat hij om haar zou moeten uit-
staan.
1357 vant: bewerkte (vertaalde?).
1358 Uttel: weinigen.
1360 ries: dwaas.
1361 Of zo vermetel.
1362 Die soude dorren : dat hij zou durven ;
dor: uit.
1364 Van der: door de.
1365 Bekommert hij er zich niet om, wat
hem zal overkomen.
1367 Ende : met.
1368 serech : droevig.
1369 serech ende erre : droef te moede.
1373 orlof: toestemming.
1374 wat darf mi roeken : wat kan het mij
schelen.
1375 In: naar; bekere: begeef.
1376 Des: totdat; noch: voorts.
72
Beide u ende mire moeder,
Dat ghijs mi noch maect vroeder
End mi geraet, alse mi gedoge,
1380 In welken lande icse vinden moge.»
Doe seide hem haergelijc ende swoer,
Dat sine wisten waer si voer.
Doe lachterdet die coninc ende seide, hoe quaet
Hadde geweest der vrouwen raet,
1385 Dat si riet, dat mense vercochte;
Maer Floris dat beter dochte
Dat si levede dan si doet ware.
Si pensede om hem ende hi om hare.
Want hi soude haer volgen, waer si doot,
1390 Ende genieten des selfs dies si genoet.
Nu es die cotiinc harde verdroeft;
Hem dunct dat hi raets behoeft
Ende Hst, hoe hine behouden mach.
Hi vloekede die wile ende den dach,
1395 Doe hise ter marct te cope sinde.
So sere ontsach hi hem van sine kinde.
Dat hijt om hare verliesen soude,
Ende hise geme weder copen woude
Twivout dierre dan hise vercochte,
Moo Waer iemen diese hem weder brochte.
Hi vloeckte oec harde den selven tijt.
Dat hi moeste sijn vermaledijt.
Doe hi alrerst harre moeder vant,
Daer hi roefde in der kerstine lant.
1378-9 Dat ge me erover inlicht, mij ten
nutte {geraden is hier bUjkbaar synoniem
met vroeder maken).
1381 haergelijc: elk van beiden.
1382 sine : zij niet.
1383 lachterdet: vervloekte, sprak er
schande van.
1390 En hetzelfde lot smaken als zij.
1391 verdroeft: droef gestemd.
1394 Hij vervloekte dag en uur.
1396-7 Zo zeer vreesde hij, dat hij zijn
kind ter wille van haar zou verliezen.
1398-9 Dat hij ze graag weer terug zou
kopen tegen het dubbele van de prijs,
waarvoor hij ze had verkocht.
1400 Waer iemen: indien er iemand was
geweest.
1402fci;t.w. den selven tijt (vs. 1401);
moeste: mocht.
73
1 405 Noch bidt bi sinen sone, dat bi blive,
Hi sal bem selke geven te wive,
Die scone sal sijn ende van bogen magen,
Die crone met eren moge dragen.
«Here», seit hi, «ocht gi mi mint,
1410 Sone gewages nemmer, bedi men vint
In al der werelt wijf ne gene.
Die ic minnen mach sonder haer allene.
So ghi mi henen haestet meer,
So wi beide weder keren eer.»
1415 «Sone, nu hebt den orlof mijn.
Na dien dats ander raet en mach sijn.
Ic sal di helpen ende gewinnen al
Datti daer toe behoeven sal:
RijcUke pellene ende cleder van siden
1420 Ende goede ors met dieren gesmiden,
Daer toe gout ende silver te vullen
Ende knapen, die di dienen sullen.
Maer ic bidde di, dattu dies
Goeden goem neems ende besies,
1425 In welker maniere duse soeken salt,
Ende ochti oec so gevalt
Dattuse vints, in welker gebare
Du di mocht vertogen dare,
Ende hoe duse best salt mogen gewinnen,
1430 Want grote Ust behort ter minnen.»
1406 selke: een zodanige (of: (er) een).
1409 ocht: indien.
1410 Sone gewages nemmer: spreek daar
(dan) nooit meer over; bedi: want.
1412 sonder: behalve.
1413-4 Hoe meer gij mijn vertrek be-
spoedigt, hoe eerder wij beiden terug-
keren (So . . , So: hoe . . . hoe).
1415 hebt den orlof {= toestemming) mijn :
ga dan maar.
1416 Nu het zo wezen moet.
1417-8 Ik zal zorgen, dat je alles krijgt,
wat je daarvoor nodig hebt.
1419 Rijclike : kostbare, prachtige; pel-
lene: Zie de aant. bij 616.
1420 gesmiden: tuigen.
1421 te vullen: overvloedig, volop.
1422 knapen : knechten.
1423-4 dies Goeden goem neems ende besies :
er wel je gedachten over laat gaan.
1425 In welker maniere: hoe.
1426-8 En voor het geval het je te beurt
mocht vallen, dat je haar vindt, onder
welke vermomming je daar dan zult op-
treden (eig. : jeje zult vertonen).
1429 gewinnen : in je bezit krijgen.
1430 list: slimheid.
74
«Here», seit hi, «nu hoert na mi.
Ic wane, dat dit die beste raet si,
Die men daer toe gepensen can:
Ic sal varen gelijc enen coman,
1435 Die wille copen ende vercopen.
Twelf someren selen vor mi lopen;
So willic dat men bi uwen rade
Die drie met silvere ende met goude lade;
Dander drie selen dragen gemunte penninge,
1440 Dat wi mogen onse teringe
Ende onse wedden quiten te gereder;
Die twee selen dragen goede cleder,
Pellene, samite, scarlaken diere;
So willic dat dragen de viere
1445 Bont werc, grau ende sabelijn.
Metten twelf someren selen sijn,
Dier goem selen nemen, twelf garsoene.
Dit staet u alre best te doene.
Met mi selen varen twelf scilt knechte,
1450 Die mi connen dienen te rechte
Ende goem selen nemen ten rossiden
Ende ten orssen ende ten gesmiden.
Ic wüle oec een van uwen drossaten.
Die milde es ende hem best can gelaten,
1455 Ende daer toe uwen camerlinc.
Die hovesch ende vroet es talre dinc.
Dese selen mi ter noet geradech sijn
1432 wane: denk.
1433 gepensen : uitdenken.
1436 someren : lastpaarden.
1437 bi uwen rade : in overleg met u, met
uw goedvinden.
1438 Die: er.
1441 wedden quiten: schulden voldoen.
1443 Pellene (met figuren doorwerkt)
linnen; samite: zijfluwelen.
1445 sabelijn : (eig. van sabelbont)
zwart.
1446 Metten : bij de.
1447 Dier goem selen nemen : die er op
zullen passen; garsoene: knechten.
1448 Dat is het beste, wat ge kunt doen.
1450 te rechte : zoals behoort.
1451 En zullen passen op de lastpaarden.
1452 gesmiden : tuigen.
1453 drossaten : hofmeesters.
1454 mi We; royaal; hem gelaten: zich ge-
dragen, geschikt zijn.
1455-6 Vg. 495-6 en de aantt. aldaar.
1457 Die zullen mij helpen, waar het
nodig is.
75
Ende copen mijn eten ende minen wijn.
Die twee portren willic voeren met,
1460 Diese vercochten, want si weten bet
Dan ic och ter enich ander coman voere,
Ende weten oec bat van Blancefloere,
Waer sise vercochten, ende hoe gedanen heden,
Ende waer si achterst van haer scieden.
1465 Haer raet mach mi wel vromen.
Wi selen seggen waer wi comen.
Dat wi varen om copinge alse coman.
Gevallet oec dats mi God an.
Dat wire omme vragen ende cischen,
1470 Ende wise ieweren mogen gcvrcischen,
Ende v^se mogen gewinnen met scatte,
Ende men ons doe te wetene datte,
Wine selent om gene have laten,
Wi en selenre omme geven utermaten
1475 Der haven so vele, mogen wi met eren
Ende bhdehke weder te lande keren.»
Floris heeft sine tale gheënt.
Die coninc hem droevehke omme went
Ende doet gereiden ende gewimien al,
1480 Des hi in den wege behoeven sal;
Hi gaf hem dat hi hebben woude.
Ende alse Floris orlof nemen soude,
Ende al gereet was sine vaert.
1459 portren: burgers.
1461 achter enich ander coman voere : of er
soms nog een andere koopman (t.w. naar
de markt te Nicle) trok (N.B. De bete-
kenis blijft vreemd; vs. 1461 kan wellicht
(mèt VS. 1462) het best geschrapt worden).
1463 ende hoe gedanen: en aan wat voor
soort.
1464 achterst (eig. 't laatst, door bijge-
dachte aan „zien") tenslotte.
1465 Haer: hun; vromen: te stade komen.
1468-73 Mocht het gebeuren — wat God
geve — dat wij, wanneer we navraag
naar haar doen, ze ergens zouden aan-
treffen en voor geld zouden kunnen
krijgen en men ons dat te verstaan zou
geven, we zullen het om geen geld (ter
wereld) laten {dats mi God an: wat God
(mij) geve; onnen: gunnen, schenken).
1474 Wi en selenre: maar (wij) zullen er.
1477 Floris zweeg.
1479-80 En laat alles gereed maken en
bijeenbrengen, wat hij onderweg nodig
zal hebben.
1481 dat: wat.
1482 orlof: afscheid.
1483 En geheel reisvaardig was.
76
Die coninc dede brengen een teldende paert
1485 Al gesadelt, dat hi harde minde,
Ende gaeft Florise sinen kinde.
50 gedaen ne vant men verre no wide
In al der werelt: sijn een side
51 was wit ende dander roet,
1490 Dat dochte den menegen wonder groet.
Sijn hoeft was al besprinct met bloemen
Menegerhande, die ic niet can genoemen.
Vele naturliker dan ofse een man
Met varwen hadde gemaket daer an,
1495 Ende die nature hadt also te voren
Gemaect ende wart daer mede geboren.
Het was scone ende snel
Ende harde fier, dat weet ic wel.
Van den gesmide salie u seggen een deel.
1500 Van spaenscen pellene was die paneel.
Met siden gewracht, gestict, gescakiert
Ende was utermaten geciert.
Van den gereide die sadelbome
Hadde een sadelere gemaect van Rome
1505 Ende gesneden van visch rebben.
Die van naturen rode varwe hebben.
Daer mocht men merken an den snede
Wonderlec werc ende bendechede.
Van pelline was al gewracht die coverture;
1510 Daer was in gewracht menege creature.
1484 teldende paert: telganger.
1487 Zo een vond men nergens.
1491 besprinct: bezaaid.
1495 te voren : eenmaal.
1499 gesmide : tuig; een deel: iets.
1500 pellene : Zie de aant. bij 1443 ; paneel :
schabrak, paardendek.
gewracht : doorweven (?). Of be-
tekent VS. 1501 : waarop zijden ruiten
waren geborduurd ?; ^es/irt; geborduurd;
gescakiert: geruit.
1503^creirfe; zadel; sadelbome: hoge stuk-
ken voor en achter aan het zadel.
1504 sadelere: zadelmaker.
1507 snede: snijwerk.
1508 bendechede : knapheid, knap vakman-
schap.
1509 pe//me: Zie de aant. bij 616; cover-
ture: kleed dat over het zadel wordt ge-
legd.
1510^cH'racfe/: geborduurd; creeture: dier.
77
Onder vissche, vogle ende serpent.
Twee darengerden waren den coninc gesent
Van Poeliën, die toten gereide
Wel voegeden ende waren sidijn beide.
1515 Goud drade mocht mer in sien lopen.
Men soudse harde diere copen,
Die nu so gedane hebben woude.
Die gespen waren zilveren, die tongen van goude,
Van siden waren al te samen
1 520 Die sloppen die daer jegen quamen.
Die vorboech, die daer toe behorde,
Was ene rikeUke gout borde,
Binnen gevoedert van corduwane;
Menegerande bellekine hinger ane.
1 525 Van goude waren die stegebande;
Met rechte soudmen die hande,
Diese wrachten, prisen ende loven.
Hi hadde van beneden tote boven
So wonderlec werc gewracht daer an,
1 530 Dat iet vertellen niet en can.
Van den gereide hebdi gehort;
Nu salie u een deel seggen vort
Van den breidele, so ic best mach.
Ic wane uwer geen nie en sach
1 535 So rikeliken breidel bi sinen tiden.
Thoeftstoel was al gewracht van siden,
1511 onder . . . ende: zowel ... als; ser-
pent: slangen.
1512 darengerden : buikriemen.
1513 Poeliën: Apulië; loten gereide : bij het
tuig.
1514 Wel voegeden: goed pasten; sidijn:
van zijde.
1517 so gedane: zulke.
1518 tongen : t.w. van de gespen.
1520 sloppen : passanten.
1521 vorboech: borstriem.
1522 rifec/i'fcc gout borde: kostbare riem
met goudborduursel.
\523 gevoedert van corduwane: gevoerd
met cordovaans leer (geiteleer).
1525 stegebande : stijgbeugels.
1531 gereide: tuig.
1532 een deel: iets.
1534 Ik deuk, dat niemand van U ooit
zag.
1535 rikeliken: schitterende; bi sinen tiden:
in zijn leven.
1536 Thoeftstoel: (de zijden banden van)
het hoofdstel.
78
Daer ane stoet menich ledekijn,
Deen van goude, dander zilverijn,
Gewracht met meestriën alle.
1540 Stenekine alse kerstalle
Stonden bendelike daer in geset,
Een gouden belleken an elc let.
Dat seiden, die de steenkine sagen
Ende kinden, datter dogede an lagen
1 545 Meer dans mi iemen geloeven soude.
Die braken entie ketenen waren van goude,
Tgebet was silverijn in den mont.
Die togel siden, geweven ront;
Twee goudine braken daer tenden hingen,
1550 Ende daer tenden dor die braken gingen
Ten andren, ende an den togd hinc
Van goude een wel gemaect rinc.
Met desen gesmide gaf die coninc tpaert
Sinen sone te helpen te site vaert,
1555 Ende dede hem spannen twee goudine sporen.
Die hi te sijns selfi boef hadde vercoren.
1537 Daer ane: t.w. aan de ketting, waar-
mee de zijden banden van het hoofdstel
waren overtrokken; ledekijn: schakel,
schalm.
1539 meestriën : voortreffelijk vakman-
schap.
1540 i<enefei>ie: edelsteentjes; kerstalle:
kristal.
1541 bendelike : kunstig ; daer in : t.w. in de
schakels.
1542 let: schakel.
1544 kinden: kennis daarvan bezaten;
datter dogede an lagen: dat ze (magische)
vermogens bezaten (zo elders, b.v. vs.
1021, 1566), anders: dat ze voortreffelijk
waren.
1545 dans: dan dienaangaande.
1546irafeeB: kinkettingen? Of stangen
(zie de aant. bij 1550-1).
1547 Tgebet: het bit; silverijn : van zilver.
1549 braken: Zie de aant. bij 1546 en
1550-1; tenótn: aan het einde.
1550-1 Deze vss. kunnen oorspronkeUjk
geluid hebben :
Ende daer tenden, daer die braken gingen
Ten andren, an den togel hinc,
waarin Ten andren zou moeten betekenen
„Naar het andere, t.w. het zijden gedeelte
van den teugel". Zou men de vss. 1549
en 1550 en de twee eerste woorden van
1551 schrappen, dan zou braken „stangen"
kunnen betekenen en vs. 1551 kan geluid
hebben:
Ende daer tenden an den togel hinc
1553^eimUe: tuig.
1554 vaert: reis.
1555 spannen: aan (de voeten) doen.
1556 te sijn selfs boef: voor zijn eigen ge-
bruik; vercoren: uitverkoren, versta: ge-
reserveerd.
7»
Een vingerlijn hem sijn moeder gaf,
Daer si hem dogeden vele seide af.
«Minne», seit si, «ic biddi dattu altoes
1560 Minen raet niet en verroekeloes.
Du en voers met di dit vingerlijn;
Also lange alst over di sal sijn.
En darfstu niet vruchten van quaden diere,
No van watre no van viere:
1 565 Dine sal mogen scaden wapen no geen man.
Daer liggen oec meerre dogede an.
Dies ic geloeve ende seker bem:
Wie soet draget over hem,
Ende soeket enege dinc gestadelike,
1570 Hi salse vinden, ende gewinnen sekerlike.
Dat hi soeket spade ende vroe.»
An sinen vinger deedsijt hem doe.
Hi ontfinc ende dankes sire moeder
Van so scoenre gichte ende so goeder,
1575 Daer hi Blancefloere mede waende gewinnen
Ende weder te Spaengen bringen bimien.
Hi nam orlof ende wilde varen.
Daer mocht men sere sien mesbaren
Ende utermaten wenen bede
1580 Vader ende moeder tien gescede,
Haer hande wringen ende sliten haer haer.
Alle die gene die waren daer.
1 557 vingerlijn : ring.
1558 dogeden: magische vermogens.
1559-61 „Lief (kind)", zei ze, „ik smeek
je nooit na te laten deze ring te dragen
(eig. dat je mijn vermaning nooit in de
wind slaat oni deze ring te dragen)".
1562 ahi over di sal sijn r als je hem bij je
zult hebben.
1 563 En darfstu niet vruchten van : behoef
je niet bang te zijn voor.
1565 Nieinands wapenen zullen je kunnen
deren.
1566 Hij bezit nog meer (magische)
kracliten.
1568 Alwie hem bij zich draagt.
1569 gestadelike : met volharding.
1571 Da: wat; spade ende vroe: altijd, in
elk geval.
1 573 dankes : dankte er voor.
1574 Voor zo'n mooi en waardevol ge-
schenk.
1575 waende: dacht te.
1577 oWii/': afscheid; varen: gaan, ver-
trekken.
1578 mesbaren: misbaar maken.
1580 tien gescede: bij dit afscheid.
1581 Het „handenwringen" en „(uit)trek-
ken van het haar" zijn uiringen van smart.
80
Si weenden ende hadden rouwe also groet,
Als hi vor hem lage doet.
1585 Maer sijn moeder dreef den meesten ween
Ende custen tienwerf al in een,
Ende dicker hadde gedaen, maer haer benam
Die coninc sijn vader, die totem quam,
Ende custen oec an sinen mont
1590 Drie werf ter selver stont.
Emmer waren si in dien.
Dat sine nemmermeer waenden sien.
Hen gesciede alsijt ontsagen.
Want sine nemmermeer en sagen.
1 595 Floris sach se so groten rouwe driven;
Met Gode hiet hise alle bliven.
Doe riepen si alle man ende wijf
Ende bevalen te Gode sijn scone lijf
Hi voer wech soeken Blancefloere
1600 Ende seide, en ware dat hise bevoere,
Hi soudse soeken sonder inde
Ende euwelike int ellinde.
Nu es Floris comen buter stat
Ende sine someren wel op haren pat.
1605 Hi achte sijn dach vaerde ende sijn dinc,
Ende nam raet met sinen camerlinc,
Welcsins mense best tierst sochte.
Die camerlinc seide, dat hem best dochte.
1584 Als : alsof; hem : hen.
1585 dreef den meesten ween ; weeklaagde
het meest.
1586 al in een : achtereen.
1587 En ze zou het nog vaker hebben
gedaan, maar dat belette haar.
1591-2 Ze leefden geheel in de gedachte,
dat ze hem nooit meer (terug) zouden
zien.
1593 alsijt ontsagen: zoals ze vreesden.
1596 Hij beval ze allen in Gods hoede
(versta: nam op hoofse (beleefde) wijze
afscheid).
1598 Ende bevalen te Gode : bevalen in
Gods bescherming aan (versta: ze be-
antwoordden zijn groet op dezelfde
wijze).
1600-2 En zei, dat hij — mocht hij haar
niet vinden — eeuwig (eindeloos) naar
haar in den vreemde zou blijven zoeken
(versta: nooit weer terug zou keten).
1604 someren : lastpaarden.
1605 achte sijn dach vaerde : dacht na over
zijn dagreis.
1606 nam raet: pleegde overleg.
1607 Welcsins : in welke richting.
81
Dat si voeren ter havenen daer Blancefloer
1610 Metten comannen scepede ende voer.
Si voeren so lange dat sire quamen.
Haer herberge si met enen portre namen,
Die gewone was te herbergen coman
Ende hovessche hede wel onthalen can.
1615 Sijn gesate was buten harde rijclic,
Binnen scone ende suverlic.
Men stalde die paerde, ende dede hem geven
Te vollen van hoie ende van even.
Some gaen si ter marct als hem was geheten,
1620 Om haren dranc ende om haer eten.
Ter herbergen si genoech weder senden.
Dat dierste eten, datsi te cope venden,
Broet ende wijn ende als te vullen.
Dat si ten etene behoeven sullen,
1625 Ende doen gereden houde dat eten.
Dat hadde hem Floris te voren geheten.
Dien si eren ende groet heerscap houden.
Si seggen, dat si coman sijn ende geme wouden
TiHke scepen ende over varen,
1630 Ende an ander copinge haer goet bewaren.
Als haer eten was gereet.
Men rechte die taflen, die waren breet.
Men eisschede water, ende si dwoegen.
Twee ende twee hem te gader voegen.
1635 Die werd hadde therte vro ende bUde,
Dien jonchere sette hi neven sire side.
1610 scepede ende voer: scheep was gegaan.
1612 met: bij; portre: burger.
1613 gewone was: placht, zich er op toe-
legde (als beroep?).
1614 onthalen : ontvangen en verzorgen.
1615^ej<ite: huis; rijclic: fraai.
1616 suverlic : zindelijk, helder.
1618 even: haver.
1619 Some . . . si: sommigen.
1620 Om spijs en drank (te kopen).
1623 ab: (van) alles; te vullen: volop.
1625 houde: aanstonds, snel.
1627 groet heerscap houden: grote eer be-
wijzen.
1629 Tilike scepen: spoedig scheepgaan.
1630 copinge: koopwaar; bewaren: be-
steden.
1632 rechte : maakte gereed.
1633 eisschede : vroeg; dwoegen: wasten
(t.w. de handen).
1635 werd: waard, hotelier.
1636 neven sire side : naast zich.
82
Ende si begonden eten ende drinken.
Daer mocht men doe den wijn sien scinken,
Daer gingen die guldine coppe entie silverine,
1 640 Beide met clareite ende met wine,
Onder heren ende knechten gemeerJike.
Die te voren hadden geseten moedelike,
Si dronken wel ende aten,
Dat si der moetheit al vergaten,
1645 Ende seiden, alsi gevoelden des wijns.
Si hadden die herberge Sente Mertijns.
Si loegen ende spraken haer ende geins.
Maer Floris hadde al ander gepeins,
Hine hadde bHscap no ioie gene
1650 Sonder om Blancefloere allene.
Te hare waert hadhi emmer sijn gedochte.
Binnen den etene hi sere onsochte
Ende dicke om haer versochte,
No eten no drinken dat hi mochte.
1 655 So lettel hi op sine hande sach
Van den gepeinse, dat hem int herte lach.
Dat hine wiste wedert was broet
So vleesch, dat hi te monde boet.
Dit dede hi so dicke ende so openbare,
1660 Dats die vrouwe wart geware.
Haren here nopede si behendelike :
«Here, en siedi niet, hoe droevelike
1639 coppe: bekers.
1640 clareite: kruidenwijn.
1641 gemeenlike: gemeenschappelijk.
1642 moedelike: vermoeid.
1646 Dat ze het best naar hun zin hadden
(eig. dat ze een uitstekend hotel hadden
gevonden. S. Maarten is hier symbool
van gulheid en gastvrijheid, te verklaren
enerzijds uit het patronaat van S. Maarten
over reizigers te paard, anderzijds uit het
„goede sier" maken op S. Maarten, 11
november, vg. M. M. Pélan, Floire et
Blancheflor, Paris 1956, p. 156).
1647 loegen : lachten; haer ende geins : over
alles en nog v^rat.
1649 ioie: vreugde.
1650 Sonder: behalve.
1651 Bij haar waren altijd zijn gedachten.
1652 Binnen : onder; onsochte : hevig, diep.
1653 versochte: zuchtte.
1655 sach: lette.
1657 ivedert : of het.
1658 So : of; te monde boet : naar zijn mond
bracht.
1661 nopede si behendelike: stootte ze
stiekem aan.
83
Hem die jonchere gelaet ende versucht?
In weet, wat hi peinst eude vrucht.
1665 Hine et geredelike no drinct wijn.
Al seggen si dat si comanne sijn,
Si sijn elre omme geport uut.»
Doe sprac si te hem over luut:
«Jonchere, ic hebbe gemerct an u,
1670 Van beginne van den etene tote nu
Hebbics ware genomen ende geweten.
Dat gi vele hebt gepenst ende lettel geten.
In weet niet wat u deert.
Lichte waert te cope dat gi verteert.
1675 Oec sagic hier, des es niet lange leden,
Ene joncfrouwe van den selven seden.
Die mi dochte dat al dus voer;
Haer selven noemetsi Blancefloer.
Gi dinct mi harde geUken hare
1680 Beide van hude ende van hare.
Van pensene hilt si gene mate.
Ghi dinct mi van dien gelate
Ende van der voeren, dat si mi dochte.
Si versuchte over etene dicke onsochte
1685 Ende gewoech dicke eens haers amijs.
Dien si harde minde ende hiet Florijs,
Daerse omme was versent ende vercocht.
Dat seiden diese hier hadden brocht.
1663 hem die jonchere gelaet: de jonge heer
doet of eruitziet.
1664 In weet wat : ik weet niet wat (ver-
sta : er is iets waarover) ; vrucht : bevreesd
is.
1665 Hine et geredelike : hij eet niet noe-
menswaard.
1667 Ze zijn om iets anders uitgetrokken.
1671 geweten : opgemerkt, gezien.
1673 Er moet u iets hinderen.
1674 Lichte waert te cope : het zou niet
veel kosten (versta: het is maar weinig)
1675 des en niet lange leden : kortgeleden.
1676 seden : manier van optreden.
1677 al dus voer : ook zo deed (deze bet.
op grond van 1683; anders zou goed
passen : met wie het juist zo gesteld was).
1681 pensene: in gedachten verzonken
zijn, piekeren.
1682 gelate ( = voere in 1683) ; manier van
doen.
1683 voeren: Zie de aant. bij gelate in
1682.
1684 onsochte: Zie de aant. bij 1652.
1685 En had het vaak over een vriend(je)
van haar.
84
Dat sise voert vercopen wouden
1690 Ende te Babyloniën met hem voeren souden.»
Alse Floris Blancefloer noemen horde,
Hine gaf der vrouwe gene antworde.
Van der groter bliscap, die hi ontfinc,
Hine wiste wat hem over ginc.
1695 So harde verwandelde hem sijn moet,
Dat hi enen nap met wine, die vor hem stoet.
Met enen messe al omme sloech.
Doe spraker die werd toe ende loech
Te spele ende seide openbare,
1 700 Dat hi boete sculdech ware.
Dat hi omme sloech den wijn.
Die mesdaet moeste gebetert sijn.
Doe dede Floris reken in sine male
Enen guldinen cop al metter scale,
1705 Die rijclic was ende harde groet.
Blidelike hine der vrouwen boet.
«Vrouwe, desen cop gevic u,
Bedi gi hebt mi vertellet nu
Van Blancefloere dierste niemare,
1710 Die ic gevreischen conde van hare.
Tote nu ne wisticse soeken waer.
Nu salicse soeken, ende volgen haer naer
Te Babyloniën in die stat, daer gise mi
Hebt gewijst ende waent dat si si.»
1715 Die vrouwe nam den cop in die hant;
Ï690 Babyloniën : versta: Kaïro.
1694 over ginc: overkwam (het woord
over ginc is hier wellicht minder gelukkig
gekozen, immers vs. 1694 moet beteke-
nen : was hij buiten zichzelf of: wist hij
niet (meer), wat hij deed).
1695 Hij raakte zo van zijn stuk.
1698 Toen sprak de waard al lachende
(of: sprak de waard (hem) er al lachende
over (aan).
1699 te spele: schertsenderwijs.
\102 gebetert: goedgemaakt.
1703 reken in sine male: uit zijn koffer
halen.
1704 scale: schotel.
1705 rijclic: zeer fraai.
1708 Bedi : omdat.
1709 niemare : bericht.
n 10 gevreischen : krijgen, te weten ko-
men.
1711 Tot nu toe wist ik niet, waar ik ze
zoeken moest.
1714 waent: denkt, meent.
85
Ic wane, menre lettel so scone vant
Te dien stonden in die port.
Haren man gaf sine vort
Ende dancte den jonchere van den lone
1720 Ende bad Gode, dat hi die scone
Te sinen wille noch moeste gewinnen
Ende weder bringen te lande binnen.
Doe seide Floris, dat hi betren woude
Die mesdaet, die hi bi sire scoude
1 725 Optie tafle den wijn verstiet.
Sinen drossate hi gebiet,
Dat hi scinke den besten wijn
Alle den genen, die daer sijn
Binnen den huus, die wille drinken.
1730 Daer mocht men mildeUke sien scinken,
Daer gingen die guldene coppe al omme,
Daer wart geradech ende vroet de domme,
Daer dochte den bloden, dat hi es coene,
Daers geen so arm onder die garsoene,
1 735 Hem en dunct, dat hi si so rike.
Dat hi den hogesten cume gelike.
Met groter bliscap hebben si bracht
Den tijt wel naer ter midder nacht.
Doe ginc die jonchere een lettel slapen.
1 740 So daden scilt cnechte ende cnapen.
Die van den wege waren gemoeit.
1716-7 Ik denk, dat men er op dat ogen-
blik in de stad niet veel (versta: niet
één) vond, die zo mooi waren.
1718 Zij gaf hem aan haar man (het is
niet duidelijk, of we te doen hebben met
vortgeven (= overhandigen) of met geven
vort, waarin vort = daarna of terstond
kan betekenen).
1719 van den lone: voor de beloning, voor
het geschenk.
1721 moeste: mocht.
1723-4 Zie 17Q2 en de aant. ald.
1724 die hi bi sire scoude: dat hij door zijn
schuld.
1725 verstiet: (eig.: omstootte, t.w. de
„nap", waardoor de wijn over de tafel
vloeide) hier met betrekking tot de wijn :
vermorste.
1726 drossate: hofmeester.
1730 mildeUke: royaal, volop.
1732 geradech : scherpzinnig.
1733 bloden : bange.
1734 garsoene : knechten.
1736 cume : bijna.
1737 bracht : doorgebracht.
1738 naer ter: dicht bij.
1741 Die vermoeid waren van de reis.
86
Mettien waest hoge gevloeit,
Die wint keerde hem omme int nort.
Doe dede die verman roepen in die port,
1 745 Ochter enege coman waren,
Die te Babyloniën wilden varen.
Dat si ter havenen voeren daden
Haer gewant, men soude die scepe laden.
Alse dit Floris hoerde, het bequam hem wel
1750 Ende wart blide, dat hem gevel
Te Babyloniën so gereet te verne,
Daer hi soude wesen geme.
Hi dede quiten dat hi hadde vertert
Ende nam orlof an sinen wert;
1 755 Met Gode hiet hise alle bliven.
Sine someren dedi vor hem driven
Ter havene waert, daer hi vant
Goede scepinge ende werpte te hant.
Doe seiden die meestre, dier waren an vroet,
1760 Dat si den wint hadden te seilne goet.
Die lucht claer ende gestade weder.
Tghetelt daden si breken neder
Haren aiapen, dien sijt bevalen.
Ten hunnen daden si tseil op halen,
1765 Some vingen si ten gerden ende some ten corden.
Met enen gestaden winde van norden
Rumeden si die havene van der stat.
1742 Intussen was het vloed geworden.
1743 Vg. voor int nort vs. 1766 van norden.
1744 uerman : schipper ; roepen : omroepen.
1745 Ochter enege : indien er soms.
1748 gewant : waren.
1749 Alse : toen ; het bequam hem wel :
vond hij dat prettig.
1750-1 En verheugde zich, dat hij (al)
zo vlug naar „Babyloniën" kon trekken
{gevel = geviel, te beurt viel).
1753 quiten : betalen.
'1754 orlof an : afscheid van.
1755 Zie de aant. bij 15%.
1756 someren : lastpaarden.
1758 scepinge: aanlegplaats; werpte: kade;
te hant: terstond.
VI ^9 meestre: scheepslui; dier waren an
vroet : die er verstand van hadden.
1761 gestade : bestendig.
1762 Tghetelt: de tenten; neder: af.
1764 Ten hunnen : in top (/iH(«)«e = mars).
1765 Sommigen grepen de schoten, an-
deren de (andere) touwen (mogelijk zijn
corden hier naast gerden bepaalde touwen,
maar welke?).
1767 Rumeden : verlieten.
87
Nu hort wat Floris den stierman bat,
Die van den scepe was gehersf.
1770 Dat hine ant lant sette alrerst
Dat hi in die stat te Babyloniën mocht comen.
Bedi hem was geseit ende hadde vernomen,
Dat van dien dage over dertech nacht
Alle die coninge hadden geacht,
1775 Die van den ammirael hilden haer rike.
Dat si ter feesten alle gemeenlike
Te hove te Babyloniën souden varen,
Alsi elcs jaers gewone waren ;
Mocht hi die feeste daer belopen,
1780 Hi soude sijn goet daer wel vercopen,
Sine scarlakene ende sijn sidene cleder
Vele te dierre ende te gereder.
Die stierman geloefde aldus Florise.
Daer was in den scepe vele spise
1785 Van brode, van vleesche ende van wine,
Alse met conincs kinde behoeft tsine.
Si hadden wint te maten ende niet te vele
Ende seilden acht dage met vollen zele.
Sint dat sijs alre ierst begonsten,
1790 Dat si lant ne geen gesien en consten,
No daden seil daar binnen striken.
Eens anders dages sagen si bliken
Ene roke, daer op was geseten
Ene stat, die Blandas was geheten.
1769 geherst : voornaamste, hoogste. 1787 te maten : (juist) voldoende.
1770-1 alrerst Dat: zodra. 1789 Sinds hun vertrek.
\712 Bedi: omdat. 1792 EaiJ anders dages: lees: Ende sanders
1774 hadden geacht : voomemem ■waien. dages: en de volgende dag; bliken: zich
VnS ammirael: emir; hilden: in leen opdoen, te voorschijn komen.
hielden. 1793 roke: lots; geseten : gelegen.
1776 alle gemeenlike : gezamenlijk. 1794 Blandas : Bagdad ? Zo ja, dan — wel-
1779 belopen : „halen", d.i. tijdig genoeg licht evenals Babyloniê — gebruikt voor
ervoor arriveren. een willekeurige oosterse (mohamme-
1782 Veel duurder en vlotter. daanse) havenplaats.
1783 geloefde aldus: beloofde dit.
1786 Zoals er voor een koningskind moet
zijn.
88
1 795 Van der stat sach men in die zee
Twintech milen verre ende mee.
Daer seide die scipman over waer.
Ware Floris met sinen gewande daer,
Hi mochte binnen vier dagen vort
1800 Te Babyloniën varen in die port
Ende met hem driven sine someren alle.
Si en worden belet met ongevalle.
Tierst dattie stierman versach de stat,
Hi stierde derwaert den rechten pat,
1805 Die hi conste ende si gewonnen
Die havene bi den lichte vander sonnen.
Men galt den verman den verscat scone
Ende gaf hem boven al sinen lone
Meer dan hi eisschede ende hebben woude.
1810 Twintech mare van silvere ende tien van goude
Dede hem selve hebben Florijs.
Hem dochte, hi hadden gevoert int paradijs.
Doe hine ant lant hadde geset.
Dat hi vinden waende, hi en worde belet
1815 Bi andren ongevalle, Blancefloere
Ende gewinnen, ocht hise bevoere.
Sijn orsse ende sijn someren dede hi ontscepen,
Sijn scrinen, sijn malen te lande slepen.
Hi verwarf des avonts ende gewan
17% mee: meer.
1797 over: voor.
i79S gewande: koopwaar.
1799 vort: daarvandaan.
iSOO Babyloniën: Zie de aant. bij 1794;
port: stad.
1801 En al zijn lastpaarden met zich voe-
ren.
1802 Indien er niets tussenkwam.
1803 Tierst dattie: zodra de; versach: in
zicht kreeg.
1804—5 den rechten pat Die hi conste : de
rechtste koers, die hij wist.
iS05 gewonnen : bereikten.
iS07 galt: betaalde; verman: schipper;
verscat: geld voor de overtocht; scone:
ten volle.
1809 eisschede: vroeg.
1811 Gaf Floris hem zelf.
1812 H«m: t.w. Floris; hi: t.w, de
verman.
1814-6 Waar hij (t.w. Floris), als alles
goed ging, Blancefloer dacht te vinden
en als hij ze had opgespoord (in bezit) te
krijgen (ocht hise bevoere: indien hij haar
zou treffen, opsporen).
1817 orsse: rijpaarden; someren: lastpaar-
den.
1818 scrinen: kisten; malen: koffers.
1819 verwarf . . . ende gewan: kreeg.
89
1820 Sijn herberge met enen riken man.
Die menege wege waren cont.
Hi hadde in die havene sinen drachmont
Ende was gewone, dat hine laden dede.
En de als hi was geladen, dat hire mede
1825 In Spaengen ocht in andren lande voer.
Mettien scepe was Blancefloer
Van Spaengen te Blandas over brocht
Metten comannen, diese hadden gecocht.
Ten selven huus hadsi gelegen ene nacht,
1830 Daer Floris hadde te herbergen geacht.
Daer mach hi andre niemare horen
Van Blancefloere, die hi hadde vercoren.
Tierst dat si ter herbergen quamen.
Men hiet den cnapen dat si goem namen
1835 Ten someren ende ten andren paerden,
Datsise corenden ende wel bewaerden.
Si vonden die herberge wel bewest
Van dies hem behoefde best.
Orscoren genoech ende voeder.
1840 Van so scoenre herberge ende so goeder
Vant men quaden coeder daer,
50 wel waest bewist van spisen alt jaer.
51 vonder genoech broet ende wijn.
Ende verken vleesch ende r enderijn,
1845 Gesouten ende ongesouten bede.
1820 Sijn herberge met: onderdak bij.
1821 wuren cont: kende.
1822 drachmont : soort snelzeilend schip.
1830 hadde . . . geacht : zich voorgenomen
had.
1831 andre: wederom.
1833 Tierst dat : zodra.
1834 Beval men de knechten te zorgen
(voor).
1835 someren : lastpaarden.
1836 corenden : voer gaven; bewaerden:
verzorgden.
1837 bewest: voorzien.
1838 Van hetgeen zij (t.w. de paarden)
het meest (?) nodig hadden.
1839 Orscoren .■ haver; voeder: versta:
ander voer.
1840-11 Zulke mooie en goede herbergen
vond men daar niet veel (quaden coever:
geringe voorraad).
1842 bewist: voorzien.
1844 renderijn: rund(vlees).
1846 gerede: voorraad.
90
Ende van menegen dinge scone gerede.
Alse die scilt cnechte ende die garsoene
Hadden gedaen dat hem stoet te doene,
Haers selves gemaecs si doe plagen,
1850 Want si waren verpijnt in negen dagen
Ende binnen negen nachten in die zee;
Des haeste men teten te mee.
Daer vonden si oec in enen quaden sede,
Want dammirael daer nemen dede
1855 Harde sv^aren tol enen sinen seriant,
Die tgerechte van hem hilt int lant.
Waest recht, waest onrecht, si vertolden daer
Van haren goede swaren vaer.
Doe si haren tol hadden af gedaen,
1860 Deten was gereet ende gingen dwaen.
Die jonchere was int scoenste geseten.
Doe dede men vort bringen dat eten;
Men diende hem rijcUc alrerst.
Want hi van hem allen was geherst,
1865 Met guldinen ende met süverinen vaten.
Si dronken alle vroUke ende aten.
Maer hi selve des lettel achte.
Emmer hadde hi in sine gedachte,
Daer hi omme was geporret uut.
1870 Dit vernam die werd ende sprac over luuf.
«Jonchere, mi dinct dat gi lettel et;
1848 dat hem stoet te doene : wat ze moesten
doen.
1849 Gingen ze voor zichzelf zorgen, of:
maakten ze het zich behaaglijk.
1850 verpijnt : achterop geraakt, nl. van
vermoeidheid.
1852 Des : daarom ; meer : meer.
1853 in: t.w. in dat land; sede: instelling.
1854—55 Want de emir liet door een van
zijn ambtenaren een zeer zware belasting
(t.w. invoerrecht) heffen.
1856 tgerechte : de administratie (bestuur
of rechtspraak) ; hilt : in leen hield.
1857 vertolden : betaalden.
1858 vaer: tol, invoerrecht.
1860 dwaen: wassen (t.w. de handen).
1861 int scoenste : op de mooiste plaats.
1862 vort bringen : opdienen.
1863 alrerst : vóór de anderen.
1864 geherst : de hoogste, voornaamste.
1867 Maar zelf had hij daarvoor weinig
aandacht.
1868-9 Hij dacht aldoor aan degene, om
wie hij was uitgetrokken (t.w. Blance-
floer).
\810 vernam: merkte; werd: waard.
91
Ic wane u harde an u eten let
Ende u harde mescomt in uwen moede
Dese grote tol van uwen goede.»
1875 «Here», seit hi, «dat moechdi weten wel,
Dat daer omme si ende niewer omme el,
Dat ic dus peinse ende droeve bem.»
Doe antwerde die werd ende sprac te hem:
«Here,» seit hi, «bi dire voeren gedinkes mi nu
1880 Ende bi den gelate dat ic verneme an u:
Hier was een geselscap van comannen tjaren.
Die ic wane dat van Spaengen waren.
In dese herberge lagen si enen nacht.
Van Spaengen had icse vor mi bracht
1885 Al hier in die port met minen drachmonde.
AUe waren si blide davontstonde.
Maer daer was mede ene scone joncfrouwe.
Die vele peinsde ende hadde rouwe.
Dat sine mochte drinken no eten.
1890 Blancefloer seidsi, dat si was geheten,
Ende also noemdense, die met haer waren.»
Floris was bHde van der niemaren.
«Ay here», seit hi, «moechdi nu vort tellen
Van dier joncfr ouwen ende van dien gesellen,
1895 Ocht gi iet vemaemt, hoe si hem berieden,
Waer si souden varen, doe si henen scieden?»
«Jonchere», seit hi, «si achten te veme her vort
Te Babyloniën in die port.»
Doe dede Floris reken van scarlaken roet
1872-4 Ik vermoed, dat uw eetlust
ernstig wordt geschaad en dat ge zeer
onaangenaam getroffen zijt door die
zware tol op uw goederen.
1876 niewer omme el : nergens anders om.
1878 antwerde : hernam.
1879-80 „Heer", zei hij, „uw optreden
en uw manier van doen herinnert me er-
aan".
ISSl geselscap : groep; tjaren: van het
jaar, een poosje geleden.
1884 vor mi bracht: meegebracht.
1885 drachmonde: Zie de aant. bij 1822.
1892 van der niemaren: met het nieuws.
1893 vort tellen : verder vertellen.
1895-6 Of ge soms hoordet, waar ze
voornemens waren heen te reizen, toen
ze vertrokken.
1897 si achten te verne her vort: ze waren
van plan van hier te trekken.
1899 reken: Zie de aant. bij 1703.
92
1900 Enen mantel, die hi sinen werd boet,
Ende enen silverinen nap, beide vier nuwe:
«Her werd, dese gichten sijn beide uwe;
Derre seldi Blancefloere weten danc.
Van harre minne hebbic so groet bedwanc,
1905 Dat ic dor haren wille moet varen dolen
In minen lande wart si mi verstolen,
Ende nu weet ic waer icse vinden sal,
«Here», seit hi, «God geve hem ongeval.
Die u beraden heeft dit leet!
1910 God moetu u amië wisen gereet
Ende moet u noch met haer geven
Bliscap, spel ende lange leven.»
Doe saten si over etene ende spraken
Van desen ende van andren saken,
1915 Maer Floris conde haers niet vergeten.
Doe si genoech alle hadden geten,
Ende op waeren gedaen die scoenlakene,
Floris geboet die bedden te makene,
Selve ginc hi opt scoenste slapen.
1920 Doe gingen te bedde heren ende cnapen.
Daer Floris sliep, hem droemde sochte
Om Blancefloere, want hem dochte.
Dat hise met sinen ogen sach
Ende hi in haren armen lach,
1925 Si in den sinen, ende hi in den haren.
Als hi ontspranc, wart hi geware.
1901 vier nuwe: gloednieuw.
1902 gichten: giften, geschenken.
1903 Derre: daarvoor.
1904 bedwanc: verdriet (zo elders in dit
verband, vg. o.a. 345, 525)? Of betekent
VS. 1904: „Haar liefde houdt mij zo ge-
vangen" (vg. 2148)?
1905 Dat ik om haar moet (gaan) zwer-
ven.
1906 verstolen : ontstolen.
1908 ongeval: ongeluk.
1909 Die u dit kwaad heeft berokkend.
1910moe(M; moge u; wisen gereet: spoe-
dig doen vinden.
1912 spel: genoegen, vreugde.
1913 over etene ende spraken : aan tafel te
praten.
1917 En de tafellakens vraren afgenomen.
1921 Daer: toen, terwijl; hem droemde
sochte: droomde hij heerlijk.
1922 Om ; van.
1926 ontspranc ' wakker werd.
93
Dat het droem was ende logene al.
Doe vloecte hi sere sijn ongeval,
Dat die bliscap te niete bleef,
1930 Die hem dochte dat hi dreef.
Die nacht leet, die hem verwies.
Smargens alse die wachter blies,
Ende Floris sach dattie dageraet op ginc.
Doe wecte hi selve sinen camerlinc.
1 935 Doe porden scilt cnechte ende garsoene,
Ende daden dat hem bestoet te doene.
Die someren dreef men als men noch pliet.
Doe en wilde Floris langer merren niet.
Die werd gebrachtene uter stat
1940 Te Babyloniën opten rechten pat.
Des nachts herbergeden si in een casteel,
Daer si haers willen oec hadden een deel.
Si vonden scone herberge ende goeden wert,
Ende gouden blidelike dat si hadden vertert,
1945 Ende porden sanders mergens vroe.
In ene dorp marct herbergeden si doe,
Daer men hem seide, dat mense hadde sien liden
Ende met comannen te Babyloniën riden.
Des anders dages porden si metten dage
1950 Ende voeren vort optie rechte slage
1928 ongeval: rampspoed.
1929 te niete bleef: vervlogen was.
1930 Die hij meende te hebben (t.w. in
de droom).
1931 leet : ging voorbij ; verwies : verdroot.
1932 blies: t.w. om de dag aan te kon-
digen.
1935 porden: roerden zich, kwamen in de
weer of stonden op (vg. 1945); garsoene:
knechten.
1936 dat hem bestoet Ie doene: wat ze
moesten doen.
1937 someren: lastpaarden; (gewoon
is te doen), doet.
1938 merren: toeven.
1939-40 De waard bracht hem buiten de
stad op de weg, die rechtstreeks (versta:
het vlugst, vg. 1804) naar „Babylonië"
leidde.
1941 casteel: stadje.
1942 Waar ze het ook tamelijk naar de
zin hadden.
1944 ^0Hrien; betaalden.
1945 En trokken de volgende morgen
weer verder.
1946 dorp marct: marktplaatsje ? markt?
1947 mense hadde sien liden : men haar
(t.w. Blancefloer) voorbij had zien gaan.
1949 De volgende dag trokken ze bij het
aanbreken van de dag (weer) op.
1950 slage: weg.
94
Ende quamen omtrent die vespertijt
Tenen watre, dat snel was ende wijt.
Die Fire hiet ende was harde diep.
Een arm vander zee die so sere liep,
1955 Datter nie brugge over ginc.
Een horen daer an enen stake hinc;
Die horen was yvoren, cypres die stake,
Ende was daer gehangen om die sake.
Die den verman hebben woude,
1960 Dat hi den horen blasen soude.
An dander side stont Monflijs.
Den horen nam in die hant Florijs
Ende setten te monde ende blieser mede.
Dat hijt te Monflijs horen dede.
1965 Die scepeUede te hem quamen,
Tierst dat si den horen vernamen,
Ende loeden int scip in corter stonden
Wat so si te voeme vonden.
Die meester was selve met enen bote over comen
1970 Ende hadde Floris met hem int scip genomen.
Alsi hadden geladen, keerden si weder.
Floris wart pensende ende sloech thoeft neder.
Als hi gewone was ende dicke plach.
Doe hi vernam ende den jongelinc sach
1975 Van so edelre gedane ende so droeflec gebaren,
«Jonchere», seit hi, «welcsins wildi varen
Ende wat saken soecti in dit lant?»
Floris antwerde hem te hant:
1951 omtrent die vespertijt: tegen de
avond.
1952 snel: snelstromend; wijt: breed.
1954 sere liep : snel stroomde.
1959 Die; wie; verman: veerman.
1%1 stont: lag.
1966 Tierst dat: zodra.
1%7 loeden: laadden.
1968 Wat ze te vervoeren vonden.
1971 si: t.w. de scepeliede; weder: terug
(t.w. naar Monflijs, een niet te identifi-
ceren plaats).
1972 wart pensende: was in gedachten
verzonken.
1974-6 Toen hij (t.w. de meester van vs.
1969) zag welk een edel voorkomen de
jonge man had en hoe treurig hij deed.
1976 welcsins: waarheen.
1978 te hant: terstond.
95
«Meester, dat moegdi selve sien,
1980 Dat wi coman sijn ende copingen plien.
Te Babyloniën hebwi geacht te veme,
Maer te nacht souden wi bliven geme.
Hets ons te nachtelic te pome vort.
Hebdi enech huus in dese port,
1 985 Dat gi mi moegt herbergen met minen gesellen,
Onse someren ende onse paerde stellen?»
«Here», seit hi, «ic hebbe herberge goede.
Dat ic u wane herbergen tuwen gemoede
Ende al uwen gesellen doen gemac.
1990 Dat ic u eer vragede ende an u sprac.
Dat was bedi mi dochte des,
Ic weet wel dat cume leden es
Dat vierendeel van enen jare.
Dat ene joncfrouwe van dien gebare
1 995 Aldus met mi hier over voer.
Die liede noemdense Blancefloer,
Diese met hem hadden brocht.
Dat seidsi, dat mense hadde vercocht
Om enen jonchere, die in Spaengen bleef,
200Ó Daer si groet seer omme dreef.»
Alse Floris van haer spreken horde,
So wel behaegden hem die worde.
Dat hi hem te blidehker geliet.
«Here», seit hi, «waer voerse, doe si henen sciet?»
2005 «Vrient, ic segt u alsict hebbe vernomen:
Die comanne, daer si mede was comen.
1979 moegdi: kunt ge.
1980 copinge pUen: handel drijven.
1981 Naar „Babylonië" zijn we van plan
te reizen.
1983 Het is ons te laat om nog verder te
trekken.
1984 port; stad.
1986 someren: lastpaarden; stellen: stallen.
1 988 Dat : zodat ; wane : denk (te kunnen) ;
tuwen gemoede : naar uw zin.
i&S9 doen gemac : verzorgen.
1990 eer: zoeven.
1991 bedi mi dochte des: omdat het mij te
binnen schoot.
1992-3 Het is zeker niet meer dan drie
maanden geleden.
1994 van dien gebare: die zich op dezelfde
wijze gedroeg.
2000 groet seer omme dreef: 2eer om wee-
klaagde.
2003 Dat hij zich vrolijk(er) toonde.
2004 waer: waarheen; henensciet: vertrok.
96
Vercochtense den ammirael om groten scat,
Ende si bleef te Babyloniën in die stat,
Dat weet ic wel sekerlike.»
20 1 0 Daer. hilt hem Floris vroedelike,
Die wilde sine sake niet laten verstaen,
Als hi den andren hadde gedaen.
Doe si haer goet te lande hadden bracht,
Si traken ter herbergen ende bleven den nacht
2015 Gemackelike metten goeden man.
Des mergens alst dagen began,
Quiten si haer wedden ende namen orlof vroe.
Tien pont gaf Floris sinen werd doe.
Om dat hi hem vriendelike hadde gedient:
2020 «Her werd, ic biddu, of gi enegen vrient
Te Babyloniën hebt in die stat.
Die dor u soude doen iet wat,
Daer ons te herbergen voechde te sine.
Dat gi hem ombiet met uwen littekine,
2025 Dat icker hebbe te doene, dat hi mi
Gehulpech ende geradech si.»
Die werd seide: «gerne, ic seg u, wat gi doet:
Buten Babyloniën vindi ene vloet.
Die snel es, diep ende breet,
2030 Die brugge, die daer over geet,
Begoemt een goet man ende sitter besiden.
Dat daer niemen en mach liden.
2007 ammirael : emir.
2010 vroedelike : gereserveerd (vg. 1068)
(versta; hij liet niets merken).
2012 ^Ij." zoals.
2014 bleven : logeerden.
2015 Gemackelihe metten: rustig bij de.
2017 Betaalden ze, wat ze schuldig waren
en vertrokken vroeg (in de morgen).
2018 doe : toen.
2020 Her werd: Heer waard; of: indien.
2022 dor u (uit vriendschap) voor u;
iet wat: mogelijk iets.
2023 Waar wij behoorlijk zouden kunnen
logeren.
2024-6 Dat gij hem door (middel van)
een (persoonlijk) kenteken vraagt mij te
helpen, wanneer het nodig mocht zijn —
(Dat VS. 2025 Dat icker hebbe te doene niet
betekent „wat ik daar te doen heb"
(Leendertz), maar „als het nodig mocht
zijn" blijkt uit de vss. 2045 ocht gijs hebt
noet en 2066 Ocht so gevallet, dat ons noet
gesciet).
2031 begoemt: bewaakt; goet: gefortu-
neerd of fatsoenlijk, eerlijk (vs. 2058-9
pleiten voor de eerste betekenis).
2032-3 Dat daar iemand over kan gaan,
of hij moet tol betalen.
97
Hi en moet verdingen jegen heme.
Also alsic den verscat neme,
2035 Neemt hi den tol van der bruggen daer.
Wi hebben gesellen gesijn menich jaer.
Wat so wi verhogen ende winnen,
Delen wi getrouwelike ende met minnen.
Te Babyloniën in die scone strate
2040 Heeft hi staende sine gesate
Met vasten torren ende met hogen.
Dit vingerlijn seldi hem togen
Te Httekene, dat hi u dor minen wiUe
Beide openbare ende stüle
2045 Gehulpech si, ocht gijs hebt noet.»
Floris nam dat vingerlijn, als hijt hem boet,
Ende dancte hem harde, doe hi van hem sciet.
Dat hi hem te sinen saken geriet.
Hi nam orlof ende voer met sinen goede.
2050 Vor middach quamen si ter selver vloede,
Daer af getellet te voren was.
Den portre vonden si sittende op een gras
An deen side onder enen boem.
Om sinen tol doen nemen goem.
2055 Daer had hi van allen een denier van goude,
Waest man of paert datter liden soude,
Daer moest hi vertollen, die over die brugge leet
2034 verscat: veergeld.
2037 Wal so : wat ; verhogen ; beuren.
2040 gesate : huis.
2041 met sterke, hoge torens.
2042 vingerlijn: ring; logen: tonen.
2043 Te liltekene: als herkenningsteken;
dal : opdat ; dor minen wille : ter wille van
mij.
2044 In elk opzicht.
2045 ochl gijs hebl noel: als ge daaraan
behoefte mocht hebben.
2046 als: toen.
2047 harde: zeer; sciet: scheidde, afscheid
nam.
2048 Voor zijn hulp (eig. : dat hij zijn
zaak zo had bevorderd).
2049 orlof: afscheid; voer: vertrok.
2051 gelellel : verteld.
2052 gras : grasveld.
2053 deen side : naast (of aan de kant van,
of aan deze zijde van ?) t. w. de brug (vg.
2031).
2054 Op zijn tol letten (doen nemen goem
= nemen goem)} Of: om op zijn tol te
doen letten, versta : te doen eerbiedigen ?
2055 had: ontving; denier: penning.
2056 liden soude : voorbij moest gaan.
2057 vertollen : tol beulen.
»8
Van so rijcliken clederen was hi gecleet,
Dat hi sceen die rijclicste vander stat.
2060 Floris ginc te hem waert daer hi sat,
Van al den goden quedde hine over luut.
Daer na seide hi hem groet saluut
Van sinen geseUe ende togede hem tvingerhjn:
«Siet hier gewarech littekijn.
2065 Nu hort, ic seg u, wat u ombiet:
Ocht so gevallet, dat ons noet gesciet.
Dat ghi ons helpt ende geraet.
Als ghi hem soud doen ende niet en laet
Beide openbare ende stille,
2070 Ende gi ons herberget dor sinen wille,
Ende peinst ende acht om onse vrome.»
Den goeden man was hi wiUecome.
Tierst dat hi verkinde tvingerlijn,
Hi naemt ende gaf hem weder dat sijn,
2075 Ende wijsde hem enen tor in ene strate.
«Vrient,» seit hi, «siet ginder mijn gesate;
Daer vindi mijn wijf ende mijn maisniede.
Vaert daer ende segt, dat ic haer ombiede.
Dat si u herberge ende wel onthale
2080 U ende u geselscap altemale,
Ende toget haer oec mijn vingerUjn.
Ghi selt haer wülecome sijn.»
2058 Vm: in; rijcliken: kostbare, dure.
2059 rijclicste: rijkste, aanzienlijkste.
2061 Onder aanroeping van alle goden
groette hij hem met luider stem.
2062 Daarna bracht hij hem de beste
groeten over.
2063 togede hem tvingerlijn : toonde hem
de ring.
2064 gewarech : waarachtig, echt; littekijn:
kenteken, bewijs.
2065 wat u ombiet: wat het (voor u) te
betekenen heeft (eig. : wat het u te
zeggen heeft).
2066 Ocht so gevallet: indien het mocht
gebeuren.
2067 geraet (met raad) bijstaat.
2069 Zie de aant. bij 2044.
2070 dor sinen wille : om zijnentwil.
2071 acht: let op, aandacht schenkt aan;
vrome: belang.
2073 Zodra hij de ring herkende.
2074 weder dat sijn : de zijne (versta : zijn
ring) ervoor terug.
2075 tor: toren.
2076 gesate : huis.
2077 maisniede: bedienden.
2078 ombiede : opdraag, gelast.
2079 onthale: ontvangt.
99
Doe voer Floris van hem blidelike
Te sire herbergen, daer hi hoveschelike
2085 Ontfaen was, hi entie sine,
Ende geherberget bi den littekine.
Nu es Floris comen daer hi wesen soude.
Hem bedarf wel dat hi hem houde
Met sinne ende pense weder ende vort.
2090 Al es hi comen in die port,
Daer hi Blancefloere in weet,
Nochtan dunct hem harde ongereet
So getrouwe vrient, dat hi moge
Te sire saken geraden, alst hem doge,
2095 Ende helpen met hste, dat hise gewinne.
Selve wart hi peisende in sinen sinne.
Dat hi grote sotheit heeft bestaen.
Floris sprac te hem selven: «wat heefstu gedaen?
Waer omme heefstu geruumt dijn rike?
2100 Du heves gedaen onvroedelike.
Nu bestu comen daer Blancefloer es.
Wien machtu nu getrouwen des?
Dune kens hier niemen, die di geve raet.
Lijstuus jegen iemene, hets di quaet,
2105 Ende het den ammirael wert vort geseit,
Hi soude di doen becopen dine dompheit,
Hi soude di doen slepen ende vangen
Ende daer na verbernen oft hangen.
2086 hi den littekine: door middel van of
krachtens het herkenningsteken.
2087 soude : moest.
2088-9 Het is hard nodig, dat hij zich
hoedt voor onbezonnenheid en met over-
leg te werk gaat {pense weder ende vort:
(zich) grondig, goed bezint).
2092 Nochtans meent hij, dat hij moeilijk
zal vinden {ongereet: niet te vinden).
2093-4 Een zo oprechte, betrouwbare
vriend, dat hij hem te zijnen bate nuttige
raad zou (kunnen) geven {alst hem doge : te
zijnen bate).
2099 geruumt : verlaten.
2100 onvroedelike : onverstandig, onwijs.
2102 Aan wie kun je dit (versta: je ge-
heim) toevertrouwen.
2103 geve : zou kunnen geven.
2104 Vertel je het aan iemand, het zal je
schaden {Lijstuus, versta: lijs {— lies:
beken, vertel, van liën) du {de)s: je het,
eig. erover).
2105 (En) indien het de emir ter ore komt.
2107-8 Hij zou je laten pakken en voort
doen slepen (t.w. met de voeten aan de
staart van een paard gebonden) en daarna
verbranden of ophangen.
100
Begef diere sotheit, die du heefs geacht,
2110 Kere weder te lande so du ierst macht.
Dijn vader sal di selc wijf gewinnen,
Die du wel salt mogen minnen.
Die scone sal sijn ende van hogen geslachte.
Here God, wanen quam mi dit gedachte?
2115 Wat heefstu geseit? bepeins di bet!
En gedinct di niet, dattu hads geset
Dine griffie te diere herte binnen,
Ende soutti hebben verslegen dor haer minne.
Om dattu wanes dat si waer doet,
2120 Maer dat mijn moeder sach ende mi verboet?
Ende soutstuse al hier weder soeken,
— Te waren ja du ! — , wat darf di dan roeken,
Dattu best daer duse soeken souts?
Om also vele silvers ende gouts,
2125 Alse te Babyloniën in die stat es binnen
Ende dammirael selve soude gewinnen,
So weet ic wel, dat ic niet en voere
Weder te lande sonder Blancefloere.
Behouden minen live ende mire eren
2130 Ne magie sonder hare niet weder keren.
Ic sal bliven noch ende sien
Ochtic emmer moge comen an dien.
2109 Zie af van de dwaasheid, die je je in
het hoofd hebt gezet.
2110 Ga terug (naar huis), zo gauw je
kunt.
2111 gewinnen : bezorgen.
2114 wanen quam mi dit gedachte : hoe kan
ik zo denken (hoe kan die gedachte bij
me opkomen).
2115 bepeins di bet: roep jezelf eens tot
de orde (eig. denk eens beter na).
2117 griffie: schrijfstift.
2118 En (dat) je jezelf gedood zou hebben
uit liefde voor haar.
2119 wanes: dacht.
2120 Indien mijn moeder het niet had
gezien en het had belet.
2121— 2 En indien je haar hier moet op-
sporen — watje moet • — (Misschien moet'
in VS. 2121 En worden gelezen voor Ende,
dan wordt de bet. van 2121-2: En had je
je niet vast voorgenomen haar hier op te
sporen? Immers ja!).
2122-3 Hoe kan het je dan bezwaren, dat
je bent, waar ze gezocht moet worden.
2126 ammira«/; emir ; ^eivimien ; (bijeen)-
krijgen.
2129 Zonder mijn leven en mijn eer te
verliezen (De verbinding live en ere ook
in Reinaert II, 5422 voor „eer"; zo ook
hier? Of wil Floris inderdaad zonder
haar niet levend terugkeren? Of liever:
kan hij niet zonder haar in Spanje leven ?).
2132 Of ik nog eens iemand vind.
101
Die mi gehelpe, dat icse spreke.
Ter minnen es so menegen treke.
2135 Si maect saen menegen gesont,
Dien si te voren heeft gewont.
Dier lettel op hopet, dien geeft si geval.
Des hopic te bat, dat icse gewinnen sal.
Dat bliven es mi best na dien dat nu staet.
2140 Si sal selve daer toe soeken raet,
Mocht sijt gevreischen, dat ic waer hier.
Men seit dat quaet te wachten es dat dier,
Dat te woude waert lopen wille.
Dat seit die dorper in sinen bispille:
21 4 5 God helpt ter dinc dicke den man,
Daer hi selve de hant slaet an.»
In desen twivele stoet hi lange.
Van minnen stoet hi in groten bedwange.
Dat hem die sorge verboet te doene,
2150 Dat hiet hem die minne ende maecten coene.
Die minne troestene ende seide «blijf».
Die sorge hiet hem behouden dlijf,
Ende keren te lande ende wesen blide.
So lange was hi in desen stride,
2155 Dat sijn werd ter herbergen quam.
Tierst dat hine sach ende vernam
Peisende staende ende harde verdroevet,
Alse een die wel raets behoevet:
2134 Het gaat in de liefde zo wonderlijk
toe, in de liefde zijn er zovele onvermoede
mogelijkheden.
2135 saen ; op een ogenblik.
2137 geval : geluk.
2138 Des hopic te bat : daaruit put ik te
meer hoop.
2141 sijt gevreischen : zij erachter komen.
2142 iptaet te wachten : moeilijk te bewaken
(vast te houden).
2143 te woude waert : naar het bos, het
bos in.
2144 bispille : spreekwoord.
2145-6 Vg. de jongere, verwante zegs-
wrijze : „Help nu uzelf, zo helpt u God".
2147 twivele: tweestrijd.
2148 bedwange: Zie de aant. bij 1904.
2149 sorge : vrees.
2150 hiet : gebood.
2151 troestene: sprak hem moed in.
2152 De vrees gebood hem zijn leven te
redden (lijfsbehoud te zoeken).
2153 keren te lande : terug te keren.
2156-7 Zodra (of: toen) hij hem in ge-
dachten (verzonken) en zeer bedroefd
zag staan.
102
«Soete vrient», seit hi, «scone jongelinc,
2160 Mescomt u van derre herbergen enege dinc?
Dat icker u ane gebetren moge,
Dat salie u betren, sijt wel in hoge.»
«Here», seit hi, «God lone uwer scoenre sprake.
An dherberge mescomt mi gene sake,
2165 Maer ic danker u ende bidde te Gode,
Dat hi mi noch tuwen bode
Late gescien, dat ic u moet
Der eren danken, die gi mi doet.
Maer ic sorge ende bens in vare,
2170 Dat ic cume sal vinden die ware.
Die ic soeke te desen stonden;
Ende al gevallet oec, dat si worde vonden.
Dat icse cume gewinnen sal.
En doe goet raet ende groet geval.»
2175 «Vrient», seit hi, «nu gawi eten
Daer na wiUic u sake weten.
Na dien dat ic hore dat u staet,
SaHc u geven den besten raet.
Dien icker can gepeinsen toe.»
2! 80 Men gaf water ende si dwoegen doe.
Die werd was vroet ende van gestaden sinne.
Te hem riep hi die werdinne.
«Vrouwe», seit hi, «pleget des joncheren,
Ontfaten bUdeUke ende met eren,
2185 Ende merct oec wel, oft gi iewren bekint
2160 Bevalt u in deze herberg iets niet?
2161 Wat ik eraan verhelpen kan.
2162 sijt wel in hoge : wees welgemoed.
2164 mescomt mi gene sake: mishaagt mij
niets.
2165 dankes u : ben er u dankbaar voor.
2166-8 Dat Hij mij om u van dienst te
zijn vergunne, dat ik u voor de eer, die
ge mij bewijst, mag belonen {tuwen bode :
tot uw dienst).
2169 Maar ik vrees.
2170 cume : (wel) niet.
2172 gevallet: mocht het gebeuren.
2173 cume gewinnen : niet (in mijn bezit)
krijgen.
2174 En doe: zonder; raet: advies, hulp;
geval: geluk,
2179 Die ik ervoor weet te bedenken.
2\Wt dwoegen: wasten (t.w. de handen).
2181 van gestaden sinne (iemand) : die zich-
zelf beheerste.
2183 pleget : zorg voor.
2184 Ontfaten : ontvang (bejegen) hem.
2185 En let ook op (ga eens na), of ge ooit
103
Ocht gesaget so scone een kint.»
Doe gingen si sitten alle drie te samen.
Ic wüle u noemen harre driër namen:
Die werd hiet Daries, sine werdirme Licoris,
2190 Tusschen hem tween sat Floris.
Men dede voert dat eten bringen.
Der scinken vele daer omme gingen.
Tusschen die goudine coppe entie silverine
Scincten si den clareit metten wine,
2195 Moraet ende andren dieren dranc.
Het soude u allen dinken te lanc,
Noemdic u die gerechten aUe.
Om dat ic wane dat u bet bevalle,
Salict u corten daer ic mach.
2200 Ic weet wel, dat uwer geen en sach
No onder heren no onder cnechte
50 wel gedient ende so menich gerechte,
Als men daer ter taflen droech.
AUe dier waren hadden genoech.
2205 Tachterst die werd bringen dede
Van crude, daer si hem mergeden mede,
Ende corten haren tijt ende gerne aten.
51 dronken haren wijn ende si saten
Blidelike ende met groter mergingen.
2210 Doe dede Floris enen goudinen cop bringen
Al vol gescinct met dieren wine.
Die wel voegde eens coninx te sine.
ergens ontmoette (eig. leerde kennen).
2186 Ocht gesaget : of zag.
2189 werdirme: vrouw.
2191 Men liet het eten opdienen.
2192 Veel schenkers gingen daar rond.
2193-4 Deels in gouden deels in zilveren
bekers (of: zowel in gouden als in zilveren
bekers?) schonken ze de clareit (kruiden-
wijn) en de wijn.
2195 Moraet: moerbeienwijn,
2198 Omdat ik vermoed, dat u dat
prettiger zult vinden.
2199 corten daer ic mach: bekorten waar
ik kan.
2205 Tenslotte (versta : als nagerecht) liet
de waard opdienen.
2206 Van crude: specerijen (of: confitu-
ren?); hem mergeden: zich verltistigden.
2209 merginge : vrolijkheid.
2212 Die werkelijk koninklijk was (eig.:
die een koning zou behoren te (of zou
kunnen) bezitten).
104
Daer Blancefloer omme was gegeven,
Diene doet met groten pinen leven.
2215 Tierst dat hire an sach gemaelt,
Hoe Helene was in Grieken gehaelt,
Die Parijs onscoec, die jongelinc
Ene grote hitte hem over ginc,
Ende daer na ene coude so groet,
2220 Dat hi beefde ende verscoet,
Ende een suchten van sire herten trac.
Nu hort wat hi them selven sprac :
«Ay Floris», seit hi, «ongevallege Florijs,
En siestu, hoe geluckech was Parijs,
2225 Wat werelden dreef hi, ende hoe soete lijf.
Doe hi den coninc van Grieken sijn scone wijf
Heienen ontvoerde over zee?
Here God, en sal mi nemmermee
Dat mogen gescien, dat ic sal voeren
2230 Al dus der scoenre Blancefloeren?
Hoe lange mach mi dat eten dinken.
Dit lange eten, dit dicke drinken!
Ja en hevet hem die werd des vermeten.
Dat hi di sal, als wi hebben geten,
2235 Geradech ende gehulpech sijn
Dor sijns gesellen littekijn!
2213 Diene: die (t.w. Blancefloer) hem
(t.w. Floris).
2215 Toen hij daarop zag afgebeeld.
2216-7 Zie de aantt. bij 632-3.
2216 in Grieken : naar Griekenland.
2217 onscoec: schaakte.
2220 al verscoet: helemaal bleek werd.
2221 En hij een zucht slaakte.
2223 ongevallege : rampzalige.
2224 En siestu : zie je niet.
2225 Welk een vreugde smaakte hij en
welk een genot, zaligheid (eig. : welk een
soete lijf, heerlijk leven) had hij (De ver-
binding van werelt en lijf ook in 3157-8,
dus mogelijk op te vatten als hendiadys:
welk een vreugde smaakte hij in zijn
leven, toen hij enz.).
2226 den coninc van Grieken (= Grieken-
land) t.w. Menelaos (zie de aant. bij 635).
2229 gescien: gebeuren; voeren: met mij
voeren.
2231 Hoe lang duurt toch dit eten.
2233 Heeft de waard niet beloofd (vg.
808).
2234-6 Dat hij na het eten (eig. als wij
hebben gegeten, d.i. gedaan met eten,
het eten achter de rug hebben) je met raad
en daad zal bijstaan ter wille van zijn maat
(eig. krachtens de ring en vervolgens de
door dit kenteken bekrachtigde wens van
zijn maat).
105
Hoe sere vemoeit mi des sittens hier!»
Doe liepen hem die tranen over die Uer,
So dats die werdinne wart geware.
2240 Tierst dat sijt sach, ontfarmets hare,
Ende began te merkene sine seden,
Die gesceppenisse van sinen leden,
Sine edele gedane, sine witte huut,
Sine scone ogen, daer die tranen uut
2245 Liepen gedichte over die Here.
Die vrouwe was hovesch ende goedertiere
Ende sprac tharen man ende toget heme:
«Here, nu merct wat ic hier verneme:
Des es leden goet stic, dat iet versach,
2250 Dat dit kint des etens lettel plach;
Doet wel, doet op die tafle dragen,
Ende weten troesten ende vragen.
Wat hem mescomt of wat hem dert.
Dat hi dus droevet.» Doe dede die wert
2255 Also als hem die vrouwe riet.
Men las op damlaken, als ment hiet.
Daer bleven si beide, hi entie vrouwe,
Florise te troesten van sinen rouwe.
«Vrient», seit Daris, «en heelt mi niet:
2260 So wat vernoye u es gesciet.
2237 vemoeit : verdriet.
2238 lier : wangen.
2240 Toen ze het zag, kreeg ze (er)
deernis (mee).
2241 En begon ze te letten op zijn ma-
nieren (of manier van doen).
2242 Zijn lichaamsbouw.
22^3 gedane: gestalte, voorkomen.
2245 gedichte : ononderbroken ; Uere : wan-
gen.
2247 toget heme: zei tot hem.
2248 Heer, luister naar wat ik nu zeg
(Het verband eist voor vernemen de be-
tekenis „zeggen", „te kennen geven").
2249-50 Al een hele tijd heb ik gemerkt,
dat deze jonge man zo goed als niets at.
2251 doet op die tafle dragen: laat afrui-
men.
2252 En laten we proberen hem op te
beuren en vragen.
2253 mescomt: mishaagt.
2256 Men nam het tafellaken weg, zoals
(of: zodra het) bevolen was.
2259 heelt: verberg, verzwijg.
2260 Wat voor verdrietelijks (of: wat de
narigheid is die) u is overkomen (Vat
men in 2259 niet op als „niets", dan wordt
so wat vernoye „wat (hoe vreselijk b.v.) de
narigheid ook moge zijn die").
106
Dies en hebt oec gene scame,
Gine segt mi al uwe mesquame;
Ic salre u toe raden so ic best can.»
Doe sprac die vrouwe te haren man:
2265 «Here, ic peinse ende merke des
Dat Blancefloer die hier boven es,
Die dammirael so heeft gemint,
Wondert mi daer ic dit kint
Die selve gedane, die selve gebare
2270 Sie ic an hem, die ic sach an hare.
50 harde geHjct hi haer van seden.
Van hude, van hare, van allen leden.
Mi en bedriege siiie gedane,
Bi dien dat icker merke ane,
2275 So ben ic seker ende weet.
Dat hi der joncfrouwen iet besteet.
In dit huus was si vijftien dage
In groten rouwen ende in clage
Om enen Floris, die si minde,
2280 Daer mense alrerst omme versinde
Ende vercochte in vremden lande.
51 sleet haer haer ende wranc haer hande,
Ende dreef utermaten groten rouwe.
Doe cochte dammirael die joncfrouwe,
2285 Die hi so geme hebben woude.
Dat hise tien werf woech met goude
2261-2 Schaam u er niet voor mij precies
te zeggen, wat u deert.
2263 Ik zal u daarin helpen, zo goed ik
kan.
2265 Heer, wat mij bezighoudt, is dit:.
2266-S De tekst is corrupt. Leest men in
2266 Van voor Dat en in 2268 daer ic sie
dit kint voor daer ic dit kint, dan zouden
deze verzen kumien betekenen: (Die)
Blancefloer, die hier boven zit (t.w. in de
toren), die de emir zo zeer bemint, intri-
geert me, nu ik deze jonge man zie.
2269 gedane : voorkomen ; gebare : manier
van doen.
2273-6 Indien zijn (uiterlijk) voorkomen
mij niet bedriegt, dan moet hij (eig. : dan
ben ik er van overtuigd) naar wat ik er-
van opmerk, op een of andere manier
aan de jonge dame verwant zijn {besteet,
bestaet: is verwant).
2280 alrerst: indertijd; versinde: wegzond.
2282 sleet: trok (uit).
2283 En weeklaagde zeer.
2286 woech: opwoog (versta: het 10-
voudige van haar gewicht in goud be-
taalde).
107
Den comannen, daer hise jegeu cochte.
Dicke sagicse harde onsochte
Versuchten ende harde meslaten
2290 Ende wenen trane utermaten
Om den genen, diese hadde gemint,
Her Daris, besiet wel dat kint:
Dat weet ic wel ende geloeve des,
Dat dese jonchere deen weder es
2295 Der joncfrouwen broeder ocht haer lief.»
Met desen woerde Floris thoeft op hief.
Om haren name wart hi so vro
In sire herten, dat hem dochte so
Ocht hi ware int paradijs.
2300 «Vrouwe», seit hi, «niet broeder, maar amijs.»
Doe hem dit woert was ontvlogen,
«Vrouwe», seit hi, «ic heb u gelogen:
Wi hebben enen vader ende ene moeder.
Si es mijn suster, ende ic haer broeder.»
2305 Dus began hi in sine tale werren.
«Vrient», seit Daris, «wat helpt dit erren?
Gi segt ende weder segt u woert,
Gaet bi der waerheit rechte voert.
Maer ic seg u over luut,
2310 Sidi om hare geporret uut,
So sidi dompelike hier comen.
Ic weet wel, hadt dammirael vernomen.
Dat hi u al te sticken trecken dade.»
«Here», seit Floris, «dor God genade.
2287 jegen : voor.
2288 harde omochte : zeer hevig.
2289 meslaten : jammeren, te keer gaan.
2294 deen weder: een van beide.
2295 ochl: of.
2300 amijs : vriend, minnaar.
2305 in sine lak werren : verward te raken
in zijn woorden.
2306 erren: (eromheen)draaien?
2307 weder segl : herroept.
2308 Spreek verder alleen de waarheid.
2309 over luut : ronduit.
2310 geporret uut: uit (uw land) getrok-
ken.
2311 Dan zijt ge een dwaas, dat ge hier
gekomen zijt.
2311 hadt dammirael vernomen: kwam de
emir erachter.
2313 te sticken : aan, in stukken.
2314 dor God: om Godswil.
108
2315 Ic sal der waerheit liën al gader :
Die coninc van Spaengen es mijn vader.
Ic hebbe van lande te lande varen dolen
Om Blancefloere, die mi es verstolen,
Daer ghi af sprect ende oec wel kint.
2320 Ic hebse van herten gemint,
Dat ic sonder hare niet mach leven.
Here, moegdire mi raet toe geven,
Ende ic gewinnen mochte u houde,
Waert met süvere, waert met goude,
2325 Des soudic u geven also vele,
Alse gijs woud hebben tuwen dele.
Dus eest ende hoe so ment gedoet.
Dat icse in derre maent hebben moet,
Ocht dor haren wüle bliven doet.»
2330 «Vrient», sprac Daris, «dat waer scade groet.
Dat u dor minne van enen wive
Mesval gesciede van uwen live.
Maer daer toe ne canic gepensen,
No list no raet gevensen,
2335 Dier goet toe waer echte mochte gedogen.
Dat mense soude gewinnen mogen
Behouden onsen live ende sonder toren.
Dat beste, dat icker toe weet, moegdi horen,
Maer gi en selet niet dorren bestaen;
2340 Gi waert saen van den live ondaen.
1315 liën: bekennen.
2317 varen dolen : rondgezworven.
2318 verstolen: ontstolen.
2319 Daer ...af: van wie (t.w. Blance-
floer).
2323 houde : vriendschap, trouw of hulp.
2325 Des: daarvan.
2326 tuwen dele : in eigendom.
2327 eest: is het, staat het; hoe so ment
gedoet: hoe dan ook.
2328 Ik moet haar (nog) deze maand
hebben.
2329 Of om haar (versta : als ik haar niet
krijg) sterven.
2330 scade . jammer.
2331-2 Dat gij uit liefde voor een vrouw
een ontijdige dood zoudt sterven.
2333-5 Maar ik kan geen enkel slim plan
(list = raet) uitdenken {gevensen = ge-
pensen), dat (er) geschikt (voor) zou zijn
(gedogen: deugen).
2337 Zonder ons leven te wagen of er
nadeel van te ondervinden.
2339 dorren : durven.
2340 saen van den live ondaen : terstond
gedood.
109
Word geseit den ammirale.
Des ben ic seker ende weet oec wale.
Dat geen coninc es die draget crone,
Al minde hi Blancefloere die scone
2345 Ende wilde hi hem onder winden dies.
Dies gi u onder wint, hi en waer een ries.
Alle die nu sijn in erterike
Ende waren te voren, arm ende rike,
Ende droegens over een al te samen,
2350 Ic weet wel, dat sise niet en namen
Den ammirael, no ne gewonnen
Bi al der bendecheden, die si connen.
No Hst no cracht doger toe
No gokeHe, no gene dinc die men doe.
2355 Ons ammirael heeft so groet ge wout.
Dat van hondert ende vijftech coninge niemen en es
Dat hijt dorre laten of merren iet, [so stout,
Hi en come te Babyloniën, als menne ombiet.
Babylonië die stat es binnen
2360 Twintech milen wijt in allen sinnen.
Die ommeloep es ront, of hi waer gepast.
Die muer es dicke ende so vast
Gewracht van selken morter binnen,
Datten no yser no stael mach gewinnen.
2365 Seven ende twintech gelachte es hoge die muer.
2341 Ah het aan de emir wordt verteld.
2343 Dat geen coninc es : dat er geen koning
leeft.
2344-6 Die, gesteld dat hij de schone
Blancefloer beminde, zou ondernemen,
wat gij onderneemt, of hij zou een dwaas
zijn.
2349 Indien die allen zich daartoe (t.w.
om Blancefloer te veroveren) verbonden.
2350 namen : zouden kunnen ontnemen.
2351-2 Aan de emir noch in hun bezit
zouden kunnen krijgen ondanks (eig. :
met) alle slimheid, waarover ze beschik-
ken.
2353 do£er toe : helpt, baat iets (in deze).
2354 ^ofee/ie • toverkunsten; no gene dinc
die men doe: noch iets anders.
2355gewout: macht.
2356 stout : overmoedig.
2357 dorre : zou durven ; merren : dralen,
uitstellen.
2358 Hi en come: om te komen; ombiet:
ontbiedt.
2360 sinnen : richtingen.
2361 De omtrek is precies (eig. : alsof het
met een passer was uitgemeten) rond.
2362 vast: stevig, solide.
2363 morter binnen: cement van binnen.
2364 Dat hij bestand is tegen ijzer en staal.
2365 gelachte : vademen.
110
Nemmer ne wart wijch no storm so suer,
Dat men van buten iemene ontsie.
Dertech staline porten ende drie
Sijn bi meestriën in den muer gescicht,
2370 Also menich tor daer op gericht.
Alle dage int jaer eser volle feeste.
Binnen der stat staen torren de meeste,
Die ie man sach, noch seven hondert.
Mi es leet ende mi wondert,
2375 Dat gi de sotheit hebt bestaen te doene.
Dese torre houden seven hondert baroene.
Van Babyloniën die hoechste entie beste.
Die berechten die stat entie veste.
Van desen baroenen, die ic mene,
2380 En heeft en geen die gewelt so clene.
Dat hi den keyser van Rome gewike,
No coninc ne geen, die si so rike.
In de middelt staet oec vander stat
Een tor, die coste groten scat
2385 Ende was gemaect bi ouden tide,
Hondert gelachte hoge ende hondert wide.
Boven dandre mach menne scouwen.
Van roden marbre es hi gehouwen
Ende ront gemaect al uten gronde
2390 Bat dan iemen geseggen conde.
Dat verwelf es binnen van kerstale.
Die huve buten es gesmeet van stale;
2366-7 De bestorming (stormaanval) kan
zo hevig niet zijn, of men voelt zich er-
binnen volkomen veihg (eig. : dat men
welke vijand ook (of: wie er ook maar
aanvalt) zou vrezen.
2369 W meestriën: meesterlijk; gescicht:
aangebracht.
2310 Also menich tor: evenveel torens.
2372-3 In de stad zelf staan nog 700 van
de grootste (geweldigste) torens, die
iemand ooit heeft gezien.
2376 baroene : ridders.
2378 berechten: besturen; veste: burcht.
2380-1 Doet niemand in macht onder
voor de keizer van Rome.
2382 die si so rike: Men verwacht: hoe
machtig hij ook zij.
2386 gelachte : vademen.
2389 al uten gronde: van de grond af
(dus ook met een rond voetstuk).
2390 Bat : beter, mooier.
2391 verwelf: t.w. van de toren; kerstale:
kristal.
2392 huve : koepeldak.
111
Dat mach scouwen so wie so wille.
Hondert voete es lanc die stille,
2395 Gewracht van goude van Romenie.
Daer boven moegdi grote meestrie
An den appel sien, een diere werc.
Daer was toe van goude drie hondert merc;
Bet gemaecten ne sach nieman geen.
2400 Daer op staet een carbonkel steen,
Die so bemet bi nachte ende bliket
So claer, dat hi der sonne geliket.
Dese stat maect hi binnen so licht,
Dat no weder garsoen no cnecht
2405 Ne darf dragen in sijn hant
Vier in lanterne no brant.
Diene over twintech milen siet
Ende daer af te voren en weet niet.
Hem dunct, dat hire bi
2410 In ene mile gehinde si.
Vier woningen sijn in desen torre,
Daer ic u dese tale af porre.
Die vloere sijn al van marberstene
Ende hebben onthoutnesse el ne gene,
2415 Maer datter een pilaer in die middelt staet.
Die dor eiken vloer in den hogesten gaet.
Van kerstale es al die pilaer.
Daer binnen clemt ene fonteine claer
Toter hogester woningen ende keert weder
2420 Bi enen condute toten andren neder.
2393 so wie so : (al) wie (maar).
2394 stille : torenspits.
2396 Daer boven : t. w. boven op de „stille"
meestrie: knap vakmanschap.
2398 toe : mee gemoeid (versta vs. 2398 :
„dat had 300 gouden marken gekost").
2399 Nooit zag iemand er een, die beter
was.
2401 bernet: fonkelt; Uiket: schittert.
2404 Dat nóch garsoen (bediende) nóch
cnecht.
2405 Ne darf: behoeft te.
2406 brant: fakkel, toorts.
2407-10 Die hem op twintig mijl afstand
ziet zonder daarvan iets te weten, meent
dat hij er maar een mijl vandaan is.
2412 „Waarover ik u spreek of handel".
2414-5 En hebben geen andere steun dan
een zuil in het midden.
2416 in: tot.
2417 Die zuil is geheel van kristal.
2420 Bi enen condute : door een buis.
112
Groten wijsdom die meester conste,
Die so danech werc ierst begonste,
Ende dat water bergen ende dalen dede;
Daer mocht men merken bendechede.
2425 In die vierde woninge opten hoechsten vloer
Daer woent joncfrouwe Blancefloer.
Daer heeft elke haer camere binnen
Van seven werf twintech harre gesellinnen.
In den pilaer steken tappe,
2430 Daer mogen si met bekeren ende met nappen,
Alsi die tappe willen trecken ute,
Ontfaen dat water van den condute.
Die cameren, daer si wonen boven,
Ne mach niemen genoech loven
2435 No tharen rechte prisen nemmer.
Die doren hebben so gedaen temmer
Ende thout es van selker naturen.
Dat si emmermeer mogen geduren.
Vrient», seit hi, «nu merct ende nemt goem:
2440 Ebenus heet die boem,
Daer die doren af sijn, ende es so diere.
Dat hine mach verbernen van viere.
Die venstren sijn van selken houte oec,
Dat nie was roke, die so soete roec.
2445 Dats een boem, ochter iemen omme vraget.
Die myrre heet ende myrre draget.
En mach dor die venstre liden
Vliege no mosie te genen tiden,
No ne gerande worm des gewinnen
2423 bergen : rijzen.
2424 bendechede : technisch vernuft.
2425 vloer : verdieping.
2429 tappe : stoppen, kranen.
2435 tharen rechte : naar hun waarde.
2436 De deuren zijn zo gemaakt {temmer :
constructie).
2439 nemt goem : let op.
2440 Eienus; Zie de aant. bij 966.
2441 diere: voortreffelijk?
2442 Vg. 969-70.
2445 ochter : indien er.
2447 liden : gaan.
2448 mosie : mug.
2449-50 „Noch kan geenerhande. worm
[of slang ?] daardoor last veroorzaken aan
de jonkvrouwen" (die daarin verblijven).
113
2450 Vemoy dien joncfrouwen, dier wonen binnen.
Die doren luken daer in den mure,
Die sijn met goude ende met lasure
Gemalen buten ende binnen.
Het behoeft, dat si lettren kinnen
2455 Ende wel geleert sijn inder scrifturen,
Die die jeeste ende daventuren
Bekinnen soude ende die beelden,
Dier an gemaelt sijn van goude, heelden.
In den tor sijn joncfrouwen gedaen,
2460 Die vroet ende hovesch sijn ende wel gedaen,
Seven werf twintech no meer no min.
Om datter joncfrouwen wonen in.
Es hi der joncfrouwen tor geheten.
Dat merkic selve, ende wilt weten,
2465 Die joncfrouwen moeten neder gaen daer
Uut haren cameren neven den pilaer
Van den torre bi enen grade
Tote des ammiraels kemenade.
Nu pleget dammirael ende dinct hem goet,
2470 Dat hi hem twee joncfrouwen dienen doet
Viertien nacht al omme ende nemmeer.
Die gaen den graet, dien ic seide eer;
Dene draget water, dander de dwale.
Te diene den here, den ammirale.
2451 doren luken : vensterluiken.
2452 lasure: bhuw,
2453 Gemalen : beschilderd.
2454-8 Zij moeten een behoorlijke eru-
ditie bezitten, die de geschiedenissen en
de verhalen zouden kunnen thuisbrengen
en de voorstellingen, die in goud erop
zijn afgebeeld, zouden (her)kennen. (In
VS. 2457 leze men souden voor soude, in vs.
2458 staat heelden als synoniem van be-
kinnen soude[n[ van vs. 2457. De infinitief
van dit heelden kan zijn he{e)len houden;
van geen dezer beide werkwoorden is de
vereiste betekenis echter opgetekend).
2459 gedaen : lees (ter opheffing van het
rijke rijm) gevaen?
2460 wel gedaen : welgevormd, schoon.
2464 wilt weten : meen (ik) zeker te weten.
2466-7 neven den pilaer Van den torre bi
enen grade : door middel van een trap
langs de pilaar van de toren.
2468 hemenade : kamer.
2469 pleget : is gewoon ; dinct : het dunkt.
2471 al omme ende nemmeer: aaneen en
(verder) niet (nooit) meer.
2472 graet : trap.
2473 dwale : handdoek.
114
2475 Daer moetsi haer gedachte leggen ane
Te sinen slapen, te sinen opstane.
Vrient», seit hi, «hets waerheit al,
Dat ic seggen ende vertellen sal.
Die portwerdre es so fel ende so geware,
2480 Dat niemen den mure der genaken dare.
Dat hi nemmer si so coene,
Hi en toge, wat hire heeft te doene.
In elke woningen wonen wachtren viere.
Fel ende quaet ende putertiere.
2485 HaerHjc draget altoes onder sinen arme
Sijt swaert och knijf och gisarme.
Bi goecliën sijn si so gemaect.
Dat hen no dach no nacht en vaect.
Altoes wachten si ende waken.
2490 Tierst dat sire iemene sien genaken,
Hi en moge togen redelike sake
Sonder gedreech ende weder sprake,
Sone mager niemen wesen bi.
Si en slane te doet, wie so hi si.
2495 Vrient», seit hi, «ic sal u seggen waer.
Onse ammirael es gewone eenjaer
Ende niet langer te houdene een wijf;
Dies heeft hi geplogen al sijn lijf.
Dat si nemmer sijn so scone
2500 Dat loent hi haer met vremden lone.
2475 Daar moeten ze op letten, daar
moeten ze voor zorgen.
2479 portwerdre : portier; /e!; ongenaak-
baar ; geware : waakzaam.
2480 der: durft te.
2481 Al is hij nog zo vermetel (vg. 2499).
2482 Die niet kan aantonen, dat hij daar
wezen moet (eig. wat hij daar te doen,
te maken heeft).
2484 putertiere : bars.
2485 Haerlijc: ieder (van hen).
2486 Sijt: of; gisarme: tweesnijdende
strijdbijl.
2487 goecliën : toverij.
2488 hen ... en voect: zij geen slaap krijgen.
2490 Tierst dat: zodra.
2491 Die geen (of: tenzij hij een) afdoende
reden kan opgeven.
2492-4 Zonder repliek of waarschuwing
wordt hij gedood (eig. : is er niemand, of
ze doden hem), wie hij ook zijn mag.
2498 Zo 'k hij zijn hele leven gewoon ge-
weest.
2499 Hoe schoon ze ook zijn.
2500 vremden : zonderlinge.
115
Als dat jaer entie termt ute es,
Des mogedi récht sijn gewes,
So ontbiet hi met sinen salute
Sine man, dat si comen ute,
2505 Ende bi sitien lettren gemeinlike
Oec alle die hogeste van den rike,
Coninge, hertogen, graven vele.
Alsi vergadert sijn in die zele.
Doet hi die vrouwe bringen geleet.
2510 Tierst dat hijt heet, so es gereet
Een ridder, die hare thoeft af slaet.
Des pleget hi, dus gedraegt sijn raet,
Dus moet int inde copen die vrouwe
Die ere met groten rouwe.
2515 Dat doet hi in dien, ende omme dat.
Dat memen die vrouwe, die hi heeft gehad,
Ende te bedde heeft gegaen met heme,
No clerc no riddre meer ne neme.
Als hi dan kiest een ander wijf weder,
2520 Alle die joncfrouwen doet hi dan neder
Van den torre gaen in enen bogaert.
Daer gaen si serech ende vervaert.
Daer ne roect gene te hebbene de ere
Om die doet, die si vruchten sere,
2525 Bedi dat si sekerlike weet
2501 Wanneer de termijn van een jaar
verstreken is.
2502 Daar kunt ge van op aan, daar kunt
ge zeker van zijn.
2503 met sinen salute: officieel (eig. :
schriftelijk).
2504 Zijn leenmannen om voor hem te
verschijnen.
2505-6 En door middel van brieven ook
al de hoogsten van het rijk tezamen.
2508 zele: ridderzaal.
2509 geleet: onder geleide (of: bringen
geleet: brengen.
2510 Tierst Jat hijt heet: zodra hij het be-
veelt.
2512 Dat is zijn gewoonte, zo doet hij.
2513 int inde copen: tenslotte bekopen.
2514 rouwe: verdriet.
2515 Dat doet hij daarom.
2517 EnJe: en die.
2521 bogaert: (lust)hof.
2522 serech ende vervaert : vol droefheid en
vrees.
2423 ne roect gene : stelt niemand er prijs
op.
2524 vruchten: vrezen.
2525 Bedi dat : omdat.
116
Die doet tendenjare gereet,
So welke so daer toe wert gecoren.
Van den bogarde moechdi horen,
Waer omme die joncfrouwen daer inne gaen.
2530 Die bogaert es al omme bevaen
Ende besloten met enen mure,
Daer met goude ende met lasure
Ende met andren varwen gemaect es an
Meer dan ic u geseggen can.
2535 So es hi besloten in allen sinnen,
Datter niet mach comen inne.
Een water daer al dore gaet.
Die van den torre neder in den bogaert gaet.
Ene flume es ons uten paradise gesent,
2540 Die loept den bogaert al omtrent.
Daer vint men in mengertiere,
Menege scone stene ende diere.
Die bogaert staet alt jaer gebloeit.
Wat waendi, vrient, hoe suete het doeit
2545 Ende hoe bequamelic daer in te sine?
Daer sitten alt jaer die vogeUdne
Harentare in den gebloeiden swigen.
Die altoes singen ende niet swigen.
Daer singt emmer die nachtegale,
2550 Die merle entie wedewale,
Daer mach men die lijstren horen clemmen
Ende neder gaen met harre stemmen,
Ende andre vogle clene ende grote.
2526 Dat de dood haar aan het einde van
het jaar wacht.
2527 So welke so : wie.
2530 al omme bevaen : geheel omgeven.
2532 lasure : blauw.
2533 gemaect : geschilderd, afgebeeld.
2535 in allen sinnen (= richtingen) overal.
2536 niet : niets.
2539 flume: rivier.
2540 Die loopt helemaal om de hof heen.
2541 mengertiere : van allerlei.
2542 Menige schone en kostbare edelsteen.
2543 Die hof bloeit het hele jaar door.
2544 doeit: is.
2545 bequamelic: aangenaam, heerlijk.
2547 Overal in de bloeiende takken.
2550 wedewale : wielewaal.
2551 clemmen: omhoog gaan.
117
Die daer maken menege soete note.
2555 Ic weet oec, dat geen boem es,
No sicmoer, no cypres,
No vigeboem, no olivier,
No platanus, no castaengier.
Die so diere es of so ghoet
2560 Of die so ghedane vrucht doet.
Men maghen scone vinden daer
Ghebloeyt staen altoes int jaer.
Van turibim, van balsamiere.
Van acoleien, van eglentiere
2565 Machmen daer vinden ene grote scole;
Rosen, leliën, menighe viole,
Suker, mirre ende wierooc.
Dat machmen daer binnen vinden ooc;
Galigaen, prumegarnaten,
2570 Cardemonie, note messcaten
Ende van menighen andren cruden een deel;
Daer wast gingebare ende caneel,
GerofFels nagle, seware.
Soe wie so inden boghaert ware
25 75 Entie stemmen hoerde clinken,
Hoghe clemmen ende neder sinken
Den soeten sanc metten soeten lude,
Ende roke die soetheit vanden crude.
2554 note : toon, klank.
2555 sicmoer : sycomore (wilde vijge-
boom).
2557 oUvier: olijfboom.
2558 castaengier: kastanjeboom.
2559 Zo voortreffelijk.
2550 So ghedane : zulke (t.w. even voor-
treffelijke); doet: geeft.
2551 maghen: kan hem.
2552 Ghebioeyt staen : staan bloeien.
2553 turibim : hetzelfde als tyrebijn (vs.
975) terpentijnboom ? ; balsamiere : balsem-
boom.
2554 eglentier: wilde roos.
2555 scole: groep, hoeveelheid.
2559 Galigaen : naam van een welriekende
wortel (mei een smaak als gember) ; prur-
megarnaten : granaatappelen.
2570 Cardemonie: naam van een specerij,
waarschijnlijk paradijszaad ; note messcaten :
muskaatnoten.
2571 crude: specerijen.
2572 gingebare : gember.
2573 Geroffels nagle: krviidnagelen; se-
ware: „een bittere sterk gekruide oos-
tersche wortel, zeverzaad, wormkruid".
2574 Soe wie so : wie (er ook).
2576 Vg. 2551-2.
2577 lude: geluid, klank.
118
Ende saghe so menich ghebloeyt rijs,
2580 Hi soude wanen sijn int paradijs.
Ene fonteyne sprinct daer inde middewaert
Indie scoenste stat vanden boghaert.
Daer boven staet ghewassen een boom:
Diere so na cornet, dat hire nemet goom,
2585 Dats no loghen no fabele gheveinst.
Dat hi nemmer die varwe ghepeinst,
No nemmer die varwe can ghenomen,
Hi en magher sien also ghedaen blomen, *
ende alsoo geringhe als een bloem valt, oft daer af gepluckt
wort, so geringhe isser weder een andere aen gewassen. Dan
gaet den admirael sitten met sijn heeren neffens den boom,
ende dan moeten de joncvrouwen daer passeren elck by-
5 sonder voorby der fonteynen, ende als sy daer voorby
passeren die maecht sijn so blijft het water vander fonteynen
schoon ende claer, ende die mach met blijschappen keeren.
Ende comt daer yemant voorby, die geen maecht en is,
so wert het water vander fonteynen die ende onclaer, ende
10 die vrouwe wert root als een bloedt. Ende dan doet den
admirael de joncfrouwen weder comen onder den boom,
die daer ghebloeyet staet, ende op wien dat de bloeme
valt, die neemt hy voor alle d' ander dat jaer tot eenen wijve.
2579 ghebloeyt rijs : bloeiende tak.
2580 wanen: menen (te).
2581 inde middewaert : in het midden.
2582 stat: plaats, plek.
2583 Daarboven verheft zich een boom.
2584-8 Wanneer iemand er zo dicht bij
komt, dat hij ze (t.w. de kleuren of de
Proz0 : 1-2 alsoo geringhe als . . . so ge-
ringhe isser : zodra ... is er.
3 neffens : naast.
4 elck bysonder : een voor een.
bloemen) kan onderscheiden — het is
werkelijk waar (eig. het is geen leugen of
een onbetrouwbaar verdichtsel) — welke
kleur hij ook bedenkt of weet te noemen,
hij kan zulke bloemen (versta: bloemen
van die kleur) daar (t.w. aan die boom)
zien.
10 een bloedt : bloed.
11-2 boom, die daer ghebloeyet staet:
bloeiende boom.
* Van de ca 90 verzen, die op vs. 2588 volgen zijn door verminking van de twee
'bladen in het handschrift, waarop ze voorkomen, slechts enkele schamele resten over-
gebleven. Daarom volgt hier de betreffende passage naar de prozatekst van het volksboek
(zie boven Inl., blz. 12).
119
ende doetse met eeren croonen, maer ten eynde vanden
15 jare doet hyse sterven. Ende isser ooc eenige vande jonck-
frouv^^en die hy meest bemindt, daer doet hy met tooverijen
de bloeme op vallen. Nu schoon jonckheer ick en v^^eet
geenen so v^^ijs die hier toe raet gheven soude dat ghy
Blanchefleur mocht ghecrijghen, v^^ant noch binnen eender
20 maent sal den admirael sijn heeren ontbieden, om de feeste
te houden van sijnder bruyloft, ende dan sullen alle de
jonckfrouwen voor hem inden boomgaert comen, ende
soo ick gehoort hebbe, soo bemint hy Blanchefleur soo
seer om haer schoonheyt, dat hyse trouwen sal, ende
25 houdense zijn leven lanck voor hem, ende den admirael
dunckt den dach te lanck. Och lieve heere v^^eert, seyde
Floris, gheeft my raet v^^at ick best mach doen, oft ickse
opentlijck v^^il eysschen, maer dan soude my den admirael
verslaen, maer v^^at ick lijde voor haer en sal my niet pijnen,
30 soo verre als zijt vernemen mach, v^^ant ick v^^eet v^^el sy
en sal dan cortelijck de doot besueren, ende volgen my
nae, ende dan [sal] haer ziele comen by de mijne bloemkens
lesen in d'aertsche paradijs, ende daer sullen v^^y dan blijven
Ende onse bHscap te gader driven».
2590 «Vrient», sprac Daris, «dor u groot meslaet
SaUc u gheven den besten raet.
Dien ic tuwen saken weet.
Morghen tilijc so sijt ghereet
Ende vaert ten torre ghelijc enen man,
2595 Die hoghe dinc visieren can.
Met uwen voeten metet de wide
Ende bescout den tor an weder side,
18 geenen : niemand.
26 dach : tijd.
29 verslaen : doden.
29 pijnen: deren.
2589 En tezamen vreugde bedrijven.
2590 dor: om; meslaet: smart, jammer.
1593 tilijc: vroeg.
2595 hoghe dinc: Bedoeld zijn bouwwer-
30 soo verre als : mits.
31 cortelijck de doot besueren: weldra ster-
ven (t.w. uit liefde voor Floris).
ken, zoals de „toren"; visieren : uitdenken,
ontwerpen.
2596 wide : breedte.
120
Die hoechte, die dicte merket wel.
Dien poortwerder seldi vinden so fel,
2600 In talen so sal hi u setten surUke,
Ende antwerd hem gestadelike,
Dat ghi sijt comen den tor te merken,
Ende als ghi comt te lande, na dien te werken.
Enen andren ende enen beteren te maken.
2605 Als hi u hoort spreken van so hogen saken,
Hi sal hem jegen u becondighen saen
Ende noden u, oft ghi wilt spelen gaen.
Dat sal sijn scaecs ende niet el.
Ic weet wel, hi speelt gheme dat spel,
2610 Als hi vint jeghen wien, hi pleges vele.
Hondert bisanten set tenen spele.
Om also vele speelt ende niet min.
Gheeft u God seghe ende ghewin.
Dat sine seldi hem weder gheven,
2615 Daer toe dat uwe, mindi u leven.
Sander daghes keert weder ende set te spele
Der bisanten twee werf so vele.
Dat sine ghevet hem weder, of ghi wint.
Ende des uwes hout niet een twint.
2620 Daer sal u gichte ende u goet
Verweken sinen evelen moet.
2599 so fel : zeer onvriendelijk, bars.
2600 Op norse toon zal hij u ter ver-
antwoording roepen.
2601 ghestadelike : rustig, kalm.
2602 merken : nauwkeurig bekijken.
2603 te lande : (weer) thuis ; na dien : vol-
gens (naar het voorbeeld van) deze (t.w.
toren).
2606 Zal hij zich dadelijk aan u voor-
stellen.
2607 En u uitnodigen (met hem) te gaan
spelen.
2608 scaecs: schaken; niet el: niets anders.
26\0 jeghen wien: een partner; pleges:
doet het.
261 1 bisanten (Byzantijnse) ; gouden mun-
ten; tenen: op één.
2612 min : minder.
2614 sine: zijne (t.w. de 100 bisanten).
2615 Daarbij het uwe (t.w. uw eigen
inzet van 100 bisanten), indien ge uw
leven liefliebt.
2616 Sander daghes: de volgende dag.
2618 Of: indien.
2619 En houd niets van het uwe (versta:
geef hem ook uw eigen inzet van 200
bisanten).
2620 Daer: zo (of- dan); gichte: gift;
goet: geld.
2621 Zijn nors gemoed vermurwen.
121
Des derden daghes ghi niet en let,
Nemet uwen cop met u ende set
Vier hondert besanten te gader int spel,
2625 Ende speelt oec niet, ghi en kennet wel
Datter also vele jegen staen.
Ende oft gi wint, gheeft hem weder saen
Tsine metten uwen, als ic seide eer:
Dus ghewindi sine hulde ie lanc so meer.
2630 Maer ic rade u ende bevele,
Dat ghi uwen cop niet en set te spele.
Daer na, alst ghenoeghet u beiden.
Dan sel hi u met hem ter herberghen leiden
Ende bidden, dat ghi met hem et.
2635 An uwen cop sel hi hebben gheset
So herde sinen sin, dat hire gherne soude
Gheven om dusent maerc van goude;
Maer ghi en selten hem vercopen niet.
Als ghine daer ane so hanghen siet,
2640 Soe bietten hem ende bid heme.
Dat hine op vrienscapen in gichten neme.
Dus seldine met uwen gichten drinken
Sine sure herte, dan sel hi dinken
Ende peinsen, hoe hi u mach dat grote goet
2645 Enter eren ghedanken, die ghi hem doet;
Sijn hande sal hi u bieden te werdene u man.
Des weest ghereet ende ontfaten dan.
2622 ghi niet en let : aarzel niet, laat niet na.
2625 ^hi en kennet wel: indien ge er niet
zeker van zijt.
2626 also vele: evenveel.
2627 oft : indien.
2629 hulde: vriendschap; ie lanc so meer:
hoe langer hoe meer, steeds meer.
2632 alst ghenoeghet u beiden: als gij beiden
er genoeg van hebt.
2633 ter herberghen : naar zijn huis.
2640 bietten : bied hem (t.w. de beker)
aan.
2641 Dat hij hem als geschenk aanvaardt
(in het vertrouwen) op zijn vriendschap.
2642 seldine : zult gij hem ; gichten : ge-
schenken; drinken: vervullen (versta: vol
maken, zodat hij er „vol" van is, nl. van
de geschenken).
2644—5 hoe hi u mach . . . ghedanken : hoe
hij U zijn dankbaarheid kan tonen voor.
2646 man : dienstman, onderhorige.
2647-8 Ga daarop in (eig. : wees daartoe
bereid) en neem hem dan aan (t.w. als
„dienstman") met zijn plechtige belofte
van trouw.
122
Sine tnanscip ende sine sekerheit.
Dan tnoeghdi liën die waerheit
2650 Boudelike, ende weset coene
Te telne u sake die ghi hebt te doene,
Beide u mesquame ende u ongheval,
Ic weet wel, mach hi, dat hi dan sal
Uwen wille vordren ende daer an berechten.
2655 En doet hijs niet, het sal hem ontvechten.»
Doe hem die waerd desen raet gaf,
Hi dankes hem ende verblider af.
Smorghens vroe sat hi op sijn paert
Ende reet rikeUc ten torre waert.
2660 Drie scilt knechte hi met hem nam.
Als hi ten voeten vanden torre quam,
Herde condelike leide hire an zijn oghen.
Hi merkede ende besach die hoghe.
Die wide mat hi met sinen voeten.
2665 Doe quam die poortwerder met onsoeten
Ende met bittren woerden, als hem was gheseit.
«Vrient», seit hi, «ic merke dijn dompheit.
Die so groot es, want du ghebaers
Oftu spiere of verrader waers.
2670 Mi wondert, dattu of iement dorre
Soe na comen onsen torre.»
«Heere», seit hi, «spiere en wasic nie:
Dat ic den tor dus herde besie.
2649-50 Dan kunt ge ronduit de waarheid
zeggen en wees (dan) zo vrijmoedig (of
— bij de lezing wesen voor weset — : en
onbevreesd).
2651 telne: vertellen.
2652 Beide . . . ende: zowel ... als; mes-
quame: (liefdes) verdriet; ongheval: ramp-
spoed.
2653 mach hi: indien hij kan.
2654 vordren : bevorderen, voorstaan ;
berechten: behulpzaam zijn.
2655 Doet hij dat niet, dan zal hij er niet
toe in staat zijn.
2659 En reed als een groot heer naar de
toren.
2662 condelike : als iemand die er verstand
van heeft (of: zelfverzekerd).
2663 merkede: nam op; hoghe: hoogte.
2664 wide : omvang.
2668 so : zeer; ghebaers: doet, gedraag je.
2669 spiere : verspieder, spion.
2670 Öc begrijp niet, hoe jij of wie ook
het waagt.
2672 nie : nooit.
2673 herde : nauwkeurig.
123
Dats bedi oft mochte wesen,
2675 Alsic com te lande, dat ic na desen
Enen andren sel stichten ende maken. »
Doe verwonderde hem van so groten saken
Den poortwerder ende besach sijn ghedane
Ende sijn fierhc ghelaet ende mercter ane,
2680 Dat hi was van hoghen gheslachte.
Als hi dat sach ende hem bedachte,
Dat hi so rijclike tale hoorde,
Beghaf hi thant sine sure woorde.
«Vrient», seit hi, «ghi sijt ghedaen
2685 Soe edelike, dat wi wel verstaen.
Dat ghi spiere niet en sijt.
Wildi comen corten u tijt
Ende spelen scaec, ghelievet u iet?»
«Heere», seit hi, «mi en lustes niet
2690 Te scake nu of tenighen spele
Te sitten, en si om haven vele.»
Die poortwerder vraeghde hem schiere,
Hoe hoghe hi spelen wüde ende hoe diere.
Floris seide, hi speelde een spel
2695 Om hondert bisanten ende niet el.
Doe loefden sijt beide ghemene.
Men brochte hem een scaec van ivorenbene.
Dat scone was ende rijcUjc.
Hondert bisanten sette haerUjc.
2700 Si setten haer spel ende begonsten
2674-5 Dat is om zo mogelijk wanneer
ik in mijn land ben teruggekeerd, naar
dit model.
2677 hem van : zich over.
2678 ghedane : uiterlijk voorkomen.
2682 riJcUke : voorname, deftige.
2683 Beghaf hi thont : hield hij onmiddel-
ijk op met.
2684-5 sijt ghedaen Soe edelike : hebt een
zo edel voorkomen.
2688 ghelievet u iet : als u er soms behagen
in schept.
2691 en si: tenzij; haven: geld (of goed).
2692 schiere: snel.
2695 el: anders (versta: minder).
2696 Dat vonden ze allebei goed.
2697 scaec : schaakspel.
2698 rijcUjc: kostbaar.
2699 haerlijc: ieder.
124
Haer ghelijc spelen, als si wel consten.
Floris const best ende want al.
Doe dedi als hem sijn waerd beval,
Ende gaf hem weder dat sine ende al daer met
2705 Dat hi selve hadde op gheset.
Den poortwerder wonderde herde daer ave
Ende dancte hem vander groter have.
Die gichte was hem herde ghename
Ende bad hem, dat hi weder quame
2710 Sanderdaghes te corten hem den dach.
Smerghens, als Floris sine tijt sach.
Twee hondert bisanten voerde hi voer hem doe.
Jeghen also vele sette hise toe.
Ten scake ghinghen si sitten neder.
2715 Hi want echt, ende ghaft hem weder
So wat so hi op hem ghewan,
Ende daer toe tsine; doe was die man
So blide dat hi in dire stonde
Een woort ghespreken niet en conde.
2720 Daer na sprac hi over lanc
Ende seide hem der gichten danc.
Die hi hem hadde ghegheven,
Ende swoer, also langhe als hi sal leven
Dat hi te sinen dienste soude sijn ghereet.
2725 Dats Florise een scoen beheet.
Des derden daghes Floris met hem nam
Sinen ghuldinen cop ende quam
2701 Haer ghelijc: elk van beiden; als si
wel consten : zo goed als ze konden.
2702 const best: kon het 't best (of: deed
het, speelde het best?).
2706 wonderde herde daer ave : was daar
zeer aangenaam door verrast (eig. ver-
wonderde zich daar zeer over).
2707 vander groter have : voor de grote
som (geld).
2708 herde ghename : zeer aangenaam, wel-
kom.
2710 Sanderdaghes : de volgende dag.
2711 als Floris sine tijt sach: toen Floris
zag (of meende), dat het juiste ogenblik
gekomen was.
2712 voerde hi voer hem doe : nam hij
(toen) mee.
2713 Tegen dezelfde som zette hij ze in
(vóór VS. 2713 schijnt iets te ontbreken).
2715-6 Hij won weer en gaf hem terug,
wat hij (van hem) had gewonnen.
2720 over lanc: na enige tijd.
2725 beheet: toezegging, belofte.
125
Al daer weder ter selver stat.
Tierst dat hi ten scake sat,
2730 Ende den scilt knecht, dien hijt gheboot,
Vier hondert bisanten daer op goet,
Die in Spaengen nuwelinge waren gheslaghen,
Die portwerder setter jeghen also vele haven.
Elc sette sijn spel na sine sede
2735 Ende togheden beide haer behendichede
Ende pijnden hem te spelen wel.
Floris dede voertgaen sijn spel,
Hi leider an herde sijn ghedochte,
Ende maecte nauwe drachte, ende sochte.
2740 Binnen der wilen hi een dracht vercoes
Daer die portwerder bi verloos
Een riddere ende een roe van sinen spele
Ende ooc van sinen vinden vele.
Des saghen Floris herde ondaen.
2 745 Met crachte quam hi op hem gheghaen,
Hi vanten ghesconfiert ende sonder cracht,
Ende setten binnen der derden dracht
Met enen ouden scaec ende maecten mat
Ende wanre mede alden scat.
2 750 Des sach hine hebben groten toren
Om dat goet, dat hi hadde verloren.
Doen en wilde hijs doen en ghene bide.
2728 stat: plaats.
2729 Tierst dat: zodra.
2731 goet: vderp (eig. uitstortte, t.w. op
het schaakbord of de speeltafel, wel niet
op de cop).
2732 nuwelinge : kort tevoren.
2733 also vele haven : evenveel geld.
2734 sede : manier, tactiek.
2735 En beiden toonden hun scherpzin-
nigheid.
2736 En spanden zich in goed te spelen.
2737 Floris speelde goed, met succes.
2738 Hij deed zijn uiterste best.
2739 „Hij zocht of bedacht en deed fijne
zetten".
2740 Toen deed hij een zet.
2742 riddere: paard; roe: kasteel.
2743 vinden : pionnen.
2744 Floris zag, dat hij daarover zeer ont-
daan was (saghen: zag hem).
2745 Hevig viel hij (t.w. Floris) hem aan.
2746 vanten : vond hem, ontdekte dat hij
was ; ghesconfiert : van zijn stuk.
2747 dracht: zet.
2748 Met een raadsheer schaakmat.
2750 Des : zo ; toren : spijt, verdriet.
8752 Toen wilde hij geen ogenblik meer
wachten.
126
Hi gaeft hem weder ende maecten blide.
Doe de portwerder hadde weder sijn goet
2755 Ende daer toe datter jeghen stoet,
Doe vraeghde hi den kinde, oft woude
Den cop setten, die van goude
So rijclijc was ende ghemaect so wele,
Hi souder jeghen setten haven so vele.
2760 Floris en wouds hem niet onder winden.
Als hijs an hem niet conde vinden.
Doen en wilde hijs hem nemmer verghen
Ende leidene met hem ter herberghen
Ende bat hem, dat hi met hem at.
2765 Hi moodene ende eerden om den scat.
Die hi hem hadde ghegbeven te voren
Ende met gherechten spele verloren.
Doe saten si ende spraken haer ende gheins.
Die portwerder hadde groot ghepeins
2770 Ende was in anxte in sire herten binnen,
Hoe hi den cop moghe ghewinnen.
Hi besachen boven ende onder,
Hi vanter an ghescreven wonder.
Hi besach den voghel, diere boven stoet
2775 Ende den kerbonkel hilt onder sinen voet,
Ende seide, dat hi gheme soude
Dusent maerc daer om gheven van goude,
Ende bat dat hine hem vercochte.
2755 En bovendien (nog) wat er door de
tegenpartij was ingezet.
2757 setten : inzetten ; pan goude : (alleen
al) door het goud.
2758 rijclijc : kostbaar.
2759 Hij zou er een even grote waarde
(als inzet) tegenover stellen.
2760 Floris wilde het niet doen.
2761 Toen hij hem er niet toe kon over-
halen.
2762 (Toen) wilde hij er niet verder op
aandringen.
2763 herberghen : Zie de aant. bij 2623.
2765 moodene: „animeerde" hem? (Men
verwacht een synoniem van eren). Of
1. noodene: nodigde hem xiit?
2767 gherechten : eerlijk.
2768 haer ende gheins: over alles en nog
wat.
2769 hadde groot ghepeins : zat er over te
piekeren.
2770 En werd gekweld (door de vraag).
2771 moghe ghewinnen : zou kuimen krij-
gen.
2773 Hij vond er wondermooie dingen op
afgebeeld.
127
Doet Floris sach ende het hem tijt dochte,
2780 Hi namen inde hant ende heiten voor hem.
«Here», seit hi, «om dat ic des seker bem,
Oft mi noot gheschiede, van uwer hulden
Ende ic u vrientscap wille versculden,
Sone willicken niet vercopen u,
2785 Maer in gichten ghevicken nu.»
Die portwerder ontfinghen blidehke
Ende swoer ende seide ghetrouwelike,
Wat hi hem hiete ende wilde gherenst,
Hi souder an legghen sinen erenst.
2790 Met leide hine in sinen boghaert
Ende boot hem sine handen ende wart
Verholenlike al daer sijn man,
Des hi berouwenesse daer na ghewan.
Floris ontfingne ende dede als de vroede,
2795 Hi hoepte dat hem comen soude te goede.
«Vrient», seit hi, «mijn man sidi nu.
Nu betrouwe ic ende ghelove u
Als enen minen man, dat ghi mi
Ghehulpich seit sijn, waer het si.
2800 Ic sel mi ghetroosten vanden rade
Ende setten mijn lijf in uwe ghenade.
Het doet mi die noot, dat ics u lië:
2779 tijt: het geschikte moment.
2781-2 „Heer", zei hij, „opdat ik er
zeker van moge zijn op uw trouwe
hulp te kunnen rekenen, indien het nodig
mocht zijn.
2783 versculden : waard maken, verdienen.
21%! ghetrouwelike: oprecht.
2788 hiete: zou vragen; gherenst: gaarne
(superl. pro pos.»? „Het liefst" lijkt min-
der aantrekkelijk).
2789 Daar zou hij zijn best voor doen.
2790 bogaert : hof, tuin.
2792 Verholenlike: in het geheim; man:
Zie de aant. bij 2646.
2793 Waarvan hij later spijt heeft ge-
kregen.
219^ ontfingne : nam hem aan (t.w. als
zijn mm).
2795 Hij hoopte, dat er wat goeds voor
hem uit voort zou komen.
2797 Nu vertrouw ik er op en neem van
u aan.
2798 enen minen man : als een dienstman
van mij.
2800 ghetroosten vanden rade : verlaten op
uw hulp (of raad).
2801 En mijn leven in uw hand geven.
2802 Het is bittere noodzaak, dat ik het
beken, ik moet het u wel bekeimen.
128
Hier boven inden tor es mine amië,
Daer es die scone Blancefloer,
2805 Die mi sident dat ic van haer voer,
In groten seere heeft ghelaten.
Die mindic so utermaten;
Dat vernoyde minen vader ende docht hem quaet
Ende mire moeder, ende daden den raet,
2810 Dat si mi daer omme wart verstolen.
Nu hebbic so langhe varen dolen
Van Spaengen ende daer om gheeisschet
Dat icse inden tor hebbe ghevreisschet.
In can gheseggen hoe gherne icse saghe.
2815 Ic sel doot bliven binden vierden daghe.
Of ic selse hebben, hoement ghedoe.
Soete vrient, nu troost ende raet daer toe.»
Doe die portwerder sine reden verstoet,
«Heere», seit hi, «mi hevet verleidet u goet,
2820 Des ben ic te spade worden gheware.
Ghi hebt ghedaen als die voghellare.
Die scone pipet ende blaset,
Daer hi die voghelkine mede verdwaset.
Met liste hebdi mi ghevaen,
2825 Datic met eren u niet mach ontgaen.
Comet te scaden of te vromen.
Nadien dat het dus es comen.
Salie u gheleisten mine trouwe —
Ic weet wel, dat ghi entie joncfrouwe
2806 seere: verdriet.
2808 vernoyde: verdroot.
2809 ende daden den raet: waarom zij be-
werkten.
2810 verstolen ; ontstolen, ontnomen.
2811 varen dolen: rondgezworven.
2812 daer om gheeisschet: navraag gedaan.
2813 Totdat ik te weten ben gekomen,
dat ze in de toren is.
2814 /« can : ik kan niet.
2815 binden : binnen de.
2816 hoement ghedoe : hoe dan ook.
2817 troost: steun (mij).
2818 sine reden verstoet: (aandachtig) naar
hem had geluisterd.
2820 spade: laat.
2822 pipet: fluit.
2825 Zodat ik zonder mijn eer te ver-
liezen niet van U af kan komen.
2826 Wat er ook van komt (eig. : of er
nadeel of voordeel van komt).
2827 Nu het er eenmaal zo voorstaat.
2828 Zal ik mijn woord gestand doen.
129
2830 Ende ic daer omme selen sterven —
Ende emmer willic pensen ende werven
Om helpe ende raet te gheven u.
Ghi selt ter herberghen varen nu,
Dat wanic dat best si.
2835 In derden daghe comt hier weder tot mi,
Dat sal dierste dach van Meie wesen.
Ic sal mi bewissen ende doen lesen
Dierste bloemen, die men mach venden,
Ende salse onsen joncfrouwen senden.
2840 Dan sel ic soeken selke behendichede,
Alsic sende blomen, dat icker u mede
Der joncfrouwen Blancefloere senden sal;
Hier toe behoeft ons goet gheval.»
Doe weende Floris ende seide,
2845 Dat hem de termt entie beide
Soude dinken utermaten lanc;
Maer dander, die sonder bedwanc
Daer om waent vallen in groter noot.
Het docht hem cort te sire doot.
2850 Deen hadde bliscap, dander rouwe.
Te dien dat Floris die joncfrouwe
Te sinen wüle hebbe ghesien.
Hem en roect, wat hem daer na sel ghescien.
Floris voer te siere herberghen waert.
2855 Dander bleef in rouwen ende seere vervaert.
Hi sende boden ende dede soeken
2831 Maar desondanks zal ik mijn best
doen (Vat men vs. 2829-30 op als een
tussenzin en laat men dus vs. 2831 aan-
sluiten bij VS. 2828, dan luidt de vertaling
van VS. 2831 : En tot elke prijs er mij voor
inspannen, (mijn best) doen.
2832 U met raad en daad bij te staan.
2833 ter herberghen: naar uw hotel.
2834 wanic: geloof ik.
2835 In derden : op de derde.
2836 bewissen : verschaffen.
2840 behendichede: list.
2843 Daarvoor hebben we geluk nodig.
2845 de termt entie beide: de tijd dat het
nog zal duren, dat hij nog moest wachten.
2846 Verschrikkelijk lang voorkwam.
2847 sonder bedwanc: onnodig (versta:
alleen uit hoofde van zijn „manschap").
2848 waent : verwacht(te).
2850 rouwe : verdriet.
2851-3 Als Floris (naar zijn wens) de
jonge dame maar te zien krijgt, is het hem
onverschillig, wat er daarna met hem zal
gebeuren.
130
In bogharden, in wouden ende in broeken
Rosen ende bloemen menigherhande.
En bleef nerghen in alden lande
2860 Bloeme ne gheen, diere toe dochte,
Hi en bewarf, dat mense hem brochte,
No acoleie, no lelie, no rose, no viole.
Corven dedi vollen ene grote scole
Ende seide, dat hise senden soude
2865 Den joncfrouwen, te verdienen haer houde.
Nu es comen die Meye dach,
Daer Floris sin al ane lach,
Dien hi node soude hebben verseten,
Hi quam ghecleet, als hem was gheheten,
2870 Van enen roden bliaude als hem wel sat.
Dat was hem gheraden omme dat,
Dattie bÜaut ghelijc was den rosen
Entie nature minst soude nosen.
Die portwerder, als hi hadde gheacht,
2875 Enen corf, die scone was ende best ghewracht,
Dede hi draghen in sine camere binnen
Ende seide Florise, soudi ghewinnen
Die joncfrouwe ende bi liste bejaghen.
Men souden metten corve op draghen.
2880 Doe gincker Floris ligghen inne.
Dier es vele, die ic kinne.
Die nie so starker minnen plaghen.
2S57 bogharden : tuinen; wouden ende in
broeken : bossen en beemden.
2858 bloemen : versta : andere bloemen.
2860 Geen enkele bloem, die er geschikt
voor was.
2861 Hi en bewarf : of hij maakte.
2863 scole : aantal.
2865 houde: genegenheid.
2866 Meye dach : eerste mei.
2867 Waar Floris helemaal van vervuld
was, waar hij enkel en alleen aan dacht.
2868 Die hij niet graag werkeloos voor-
bij zou hebben laten gaan.
2869 geheten : verzocht.
2870 Kan; in; bliaude: Zie de aant. bij
617; als hem wel sat: die hem goed stond.
2873 En het minst zou afsteken (t.w. bij
de (kleur der) bloemen).
2874 als hi hadde gheacht: volgens (zijn)
plan.
2877 soudi ghewinnen : indien hij wilde
krijgen.
2878 bejaghen: (te pakken) krijgen.
2879 souden : moest hem.
2881 Dier es vele: er zijn er veel.
2882 Wier liefde niet zo sterk was.
131
Dat si hem hadden laten draghen.
Die portwerder sette hem enen hoet
2885 Opt hooft van rosen, die hem wel stoet,
Ende decten met rosen, daer hi lach
In den corf, datten niement en sach.
Twee cnapen riep hi te hem doe.
Die duchtich waren ende goet daer toe.
2890 «Nemet», seit hi, «dese rosen ende gaet
Ten torre ende clemt den hoechsten graet,
Tes ghi comt ten hoechsten vloere,
Ende segt mire joncfrouwen Blancefloere,
Dat icse haer sende, si selre uut lesen
2895 Selke, die haer bequame sal wesen;
Ende segt haer ghetrouwelike mijn saluut,
Ende keert te handen weder uut,
Ende comt haestelike weder te mi.»
Doe hijt hem hiet, doe namen si
2900 Den corf metten rosen ende beghonsten
Te cUven, so si ghevoechlicst consten
Van grade te grade wel bi stade.
So herde waren si gheladen.
Dat si vloecten diese loet.
2905 Si seiden ende peinsden in haren moet.
Dat si bloemen nie en saghen
No droeghen, die herder waghen.
Dat seiden si, ende seiden waer.
Daer clommen si neven den pilaer.
2884 hoet : krans.
2888 cnapen : bedienden.
2889 duchtich: flink.
2891 graet : trap.
2892 Tes: totdat; vloere: verdieping.
2894 lesen : halen, nemen.
2895 Selke: een (zodanige); bequame:
aangenaam.
2896 segt haer . . . mijn saluut : doet haar
mijn comphment.
2897 te handen : terstond.
2899 hem hiet: hun gelastte.
2901 Te kHmmen zo goed als ze konden.
2902 grade : trede ; wel bi stade : (lees staden)
heen rustig (aan).
2903-4 Ze zuchtten zo onder de zware
last, dat ze vervloekten, die hun die last
had opgelegd.
2905 in haren moet : (eig. : in hun hart) bij
zichzelf.
2907 herder waghen : zwaarder wogen.
2908 waer: de waarheid.
2909 neven : langs.
132
2910 Tes si quamen opten hoechsten vloer
Ende misten der cameren, daer Blancefloer
In woende, ende lietense staen
Ter rechter hant, ende quamen ghegaen
Ter ander camer, daer woende inne
2915 Ene joncfrouwe met ghestaden sinne.
Si haesten ende wilden niet beiden,
Ende spraken ter ghere ende seiden:
«Joncfrouwe Blancefloer, dit prosent
Hevet u onse heere de portwerder ghesent.»
2920 Die joncfrouwe niet en ghewoech.
Dat sijt waer, maer si loech.
Om dat si Blancefloer hoerde noemen,
Ende ere ander gaven die bloemen.
Si dankes, ende setten neder
2925 Den corf metten rosen ende keerden weder.
Doe ghinc si ten corve ende nam
Ene rose, die haer best bequam.
Floris waende, dat Blancefloer ware,
Ende spranc uten rosen jeghen hare.
2930 Die joncfrouwe spranc op ende wart,
Daer sine sach, so seere vervaert.
Dat si vloe ende van hem liep
Ende «helpe! helpe!» al vHende riep,
«Wat bloemen sijn dit? wat comter uut?»
2935 Si creesch ende maecte een gheluut,
Dat alle die joncfrouwen worden vervaert
Ende quamen ghelopen thaer waert.
2910 Tes: totdat; vloer: verdieping.
2911 Ende misten der: ze gingen (bij ver-
gissing) niet naar de.
2912-3 ende lietense staen Ter rechter hant :
maar (ze) lieten die (t.w. die kamer)
rechts liggen.
2914 daer: waar.
2915 met ghestaden sinne : aardig, vriende-
lijk (Of: nistig, evenwichtig).
2916 beiden : toeven.
2917 ter ghere: tot deze.
2920 niet en ghewoech : zei niet.
2912 Dat zij het was, maar zij lachte.
2923 Ende ere: terwijl ze aan een.
2924 Zij bedankte (er voor) en zij (t.w.
de dragers) zetten neer.
2927 bequam : behaagde, aanstond.
2929 jeghen : naar (toe).
2933 vloe: vluchtte.
2935 creesch : gilde.
2937 thaer waert: naar haar toe.
133
Si vraechden ende vreyscheden om mare,
Wat haer mesquame ende haer ware.
2940 Als hi dat hoerde, viel hi neder
Ende decte hem metten bloemen weder.
Die joncfrouwe was bepeinst sciere.
Want si was hovesch ende goedertiere.
Haer quam ghelopen in haren sinne
2945 Van Blancefloere, haer ghesellinne.
Dat si haer dicken claechde ende ghewoech
Eens joncheeren, des minne si droech,
Ende van Spaengen was gheboren.
Si hadde haer ooc gheseit te voren,
2950 Dat hi haer herde ghelijc ware,
Als sine sach, so dochts hare,
Ende pensede, dat onder dat prosent
Met liste haer waer Floris ghesent.
Si antwerde den joncfr ouwen, die tot haer quamen
2955 Ende dat helpgheroep vernamen.
Si pensede enen list ende loech.
Dat ene viveltre uten bloemen vloech
Int ansichte met haren monde.
Dat si haer niet onthouden conde,
2960 Dat si an haer huut quam ghevaren.
Si en moeste crijschen ende also ghebaren.
Doe keerden si weder al te samen.
2938 vreyscheden om mare : informeerden
er naar.
2939 Wat ze mankeerde (er aan scheelde)
en wat haar was overkomen.
2942 was bepeinst sciere : had zich aldra
weer vermand, was zichzelf spoedig weer
meester.
2943 Ook in vs. 403-4 wordt het „sciere
bepeinsen" of „bepeinst sijn" gemoti-
veerd met het „hovesch ende goeder-
tiere" zijn van de vrouw in kwestie.
2944 Het schoot haar te binnen.
2946-7 Dat zij (t.w. Blancefloer) vaak
met weemoed sprak over een jong heer,
die zij liefliad.
2948 Ende : die.
2950 Dat hij zeer veel op haar leek.
2951-2 so dochts hare, Ende pensede : ver-
moedde zij.
2954 antwerde : diende van antwoord, gaf
bescheid.
2956 pensede: verzon; loech: zei jokkend
(of: maakte ze wijs).
2957 viveltre: vlinder.
2958 Met zijn kop in haar gezicht.
2959 onthouden : weerhouden.
2960 Toen hij haar gezicht (aan)raakte.
2961 (Om) te schreeuwen en zo te keer
te gaan.
134
Dat si ter cameren niet in quamen.
Nu moeghdi weten, dat herde groot
2965 Die anxt was ende die noot,
Die Floris hadde, tkint van Spaengen.
Die joncfrouwe was van Aelmaengen,
Eens hertoghen dochter ende hiet Clarijs,
Ende hadde naest Blancefloere den meesten prijs
2970 Boven alle dander vander zele.
Si was DOC so wel haer ghespele.
Dat dene der ander niet en hal.
Si en seide haer dat si wiste al.
Si dienden te gader den ammirale,
2975 Dene droech twater, dander de dwale
Elcs daechs in zire kemenade
Smerghens vroe ende tsavents spade.
Haer cameren waren niet verre ghesceden.
Ene dore hadden si onder hem beden,
2980 Daer dene bi totter ander ghinc.
Als si hadden te spreken enighe dinc.
Si ghinc wech ende loec haer dore,
Bedi, of iement lede daer vore.
Dat hi des joncheeren niet en vememe.
2985 Een woort en sprac si niet te heme.
Si gaet te Blancefloere, daer sise vint.
Die vele peinst om dien si mint
Ende dicke versuchte herde onsochte
Met swaren ghepeinse ende ghedoclite.
2963 Dat: zodat.
2964 moeghdi welen : kunt ge nagaan, be-
grijpen.
2966 tkint : de (kroon)prins.
2967 Aelmaengen : Duitsland.
2969 Die werd na Blancefloer het meest
geroemd.
2970 zele : huis, paleis.
2971-3 Ze waren zo vertrouwd met el-
kaar, dat ze niets voor elkaar verzwegen,
maar alles vertelden, wat ze wisten.
2975 dwale: (hand)doek.
2976 kemenade : kamer.
2978 waren niet verre ghesceden : lagen niet
ver uiteen (versta: lagen naast elkaar).
2979 Een (gemeenschappelijke) deur had-
den ze (tussen haar kamers).
2980 hi: door.
2982 loec: sloot; dore: versta: de deur
naar buiten, naar de gang.
2983-4 Opdat, indien iemand langs zou
komen, hij de jonge man niet zou zien.
2988 En vaak zeer zwaar zucht.
135
2990 Met groter claghen ende met droeven sinne.
«Blancefloer», seit si, «soete minne,
Wilde ghaen met mi, ic sel u toghen
Selke bloemen, dat ghi met uwen oghen
Ne saghet bloeme no so rose nie,
2995 Die ghi eer sout sien dan die.»
«Claris», seit si, «soete ghespele.
Mijns onwiUen heb ic so vele.
Dat mi der bloemen wel staet tombeme.
Dat ghi te mi comt met uwen scheme,
3000 Daer seldi mede sonde ghewitmen.
Die in goeden hopen sijn van minnen.
Hem staet wel te pleghen der blomekine.
Om te vergheten der pine,
Maer mi naect droefheit ende niet el.
3005 Soete vriendinne, nu weti wel.
Dat ic minen lieve verre bem,
Hi verre van mi, ic verre van hem.
Nu es hier dammirael, die ooc waent.
Dat hi mi binnen derre maent
3010 Sekerlike sal nemen te wive.
Neen ic, beghavic binnen minen live
Floris, dat waer grote mesdaef.
Ic selre toe soeken selken raet.
Dat ic mi corteÜnge sel verslaen,
3015 En magie hem anders niet ontgaen.
2992 toghen : laten zien.
2993 Selke bloemen : (1. bloeme, vg. 3023)
zo'n mooie bloem.
2994 Geen roos of (andere) bloem ooit
zag.
2995 eer : liever.
2996 ghespele : vriendin.
2997 Ik heb zoveel verdriet (of: ben er
zo ongelukkig aan toe).
2998 Dat ik bloemen wel kan missen, dat
ik helemaal geen verlangen heb naar
bloemen.
2999-3000 Dat je zo met mij spot, daar
doe je verkeerd (of: zonde) aan.
3002 Die mogen wel belangstellii^ heb-
ben voor (of: houden van?) bloemen.
3003 pine : liefdessmart.
3004 niet el : niets anders.
3008 waent : zich voorstelt.
3009 derre : deze.
3011 beghavic binnen minen live: indien ik
bij mijn leven zou verloochenen.
3013 Ik zal er deze oplossing voor zoeken.
3014-5 Dat ik eerlang de hand aan mijzelf
zal slaan, indien ik op geen andere manier
van hem af kan komen.
136
Wat magie doen, ellendich wijf?
Ic beb liever te verliesen mijn lijf
Dan ic Floris levende verliesen soude.
Die minne quam van mi, bi mire scoude.»
3020 «Blancefloer», seit si, «soete ghesellinne.
Nu manie u bi Florijs minne
Ende dor sinen wille, dat ghi met mi
Die bloeme comt sien, hoe scone si si.»
Tierst dat sise bi hem beswoer,
3025 Stont op die scone Blancefloer
Ende ginc met haer die bloeme scouwen.
Floris hevet der joncfrouwe
Tale ghehoort ende es seker des.
Dat Blancefloer binnen der cameren es.
3030 Hi rechte hem op ende spranc uut.
Dat scoenste haer entie witste huut
50 hadde hi, dat ie man ghewan.
Hi hadde enen roden bliaut an.
Die hoet, die hem was gheset
3035 Opt hooft, hi stont hem vele bet
Dan ic u gheseggen mach.
Blancefloer kenden, alsine sach.
51 kinde hem ende hi kinde hare.
Beide verloren si haer ghebare,
3040 Datsi een woort spreken en mochten.
Daer na, als si hem bedochten.
Al swighende liepen si te samen,
Daer si hem metten armen onder namen.
3016 ettmdich : rampzalig.
3018 levende: terwijl ik (nog) leef.
3019 bi mire scoude : door mijn schuld.
3021 manie: bezweer ik (vg. 3024).
3022 dor sinen witte : om zijnentwil.
3024 Tierst dat : zodra (of: toen).
3028 Tale: spreken; des: er van.
3032 ie: ooit; ghewan: had.
3033 bliaut: 2ie de aant. bij 617.
3034 hoet : krans.
3035 bet: beter, mooier.
3036 mach : kan.
3037 kenden : herkende hem.
3039 verloren si haer ghebare : raakten ze
de kluts kwijt.
3040 Zodat ze geen woord konden spre-
ken.
3041 als si hem bedochten : toen ze tot zich-
zelf waren gekomen.
3042 te samen : naar elkaar toe.
3043 Waarop ze elkaar omhelsden.
137
Haer gelijc andren an hem dwanc.
3045 Dat cussen ende dat helsen was so lanc,
Datmen mochte in de selve wile
Hebben gheghaen ene grote mile.
Als si hem van den cussen droeghen,
Al swighende si hem onder loeghen
3050 Ende herde minliken si hem onder saghen.
Doe sprac Claris ende begonde haer vraghen
Ghestadelike ende wel bi siime:
«Blancefloer», seit si, «soete ghesellinne,
Kindi de bloeme, daer ic om poghede
3055 U vele, eer icse u toghede?
Mi dinct, dat ghise an u draghet.
Sint ghise alre eerst saghet,
So dinct mi, dat ghi sijt verhoghet.
Ic wane, dat daer an leghet grote doghet,
3060 Andie bloeme, die ene joncfrouwe
So sciere hevet verlost van haren rouwe.
Een luttel eer wildise niet sien.
Nu duncti mi bevaen in dien.
Dat ghi der ghere sout sijn hout,
3065 Daer ghise jeghen deilen sout.»
«Deilen?» seit si, «En es dit Florijs,
Mijn soete lief, mijn soete amijs.
3044 Elk van beiden drukte de ander
tegen zich aan.
3045 helsen : omhelzen.
3046-7 Dat men in dezelfde tijd meer dan
een mijl zou hebben kunnen afleggen
(Met grote mile zal wel niet de zgn. Duitse
of geografische mijl bedoeld zijn).
3048 Toen ze ophielden met kussen.
3049 si hem onder loeghen : lachten ze
tegen elkaar.
3050 En keken ze elkaar innig aan.
30S2 Ghestadelike : kalm; wel bi sinne:
weloverwogen.
3054-5 „Kent gij nu de bloem, waar ik
u zoo sterk om prikkelde, plaagde, eer
ik ze u toonde" (Leendertz).
3056 „Het schijnt, dat gij er u van meester
maakt, dat gij ze tot u neemt" (Leendertz).
3058 verhoghet: verheugd. Uw smart te
boven gekomen.
3059-60 Die bloem schijnt een grote
kracht te bezitten, die een jonge dame.
3061 sciere: snel.
3062 luttel eer: ogenblik geleden.
3063-5 Nu schijn je me zo gestemd, dat
je haar wel zeer genegen zou moeten zijn,
met wie je ze zou delen {jeghen: met).
3066 En es dit : is dit niet.
3067 amijs: lief.
138
Als ic u dicken hebbe gheseghet,
Daer mijn lijf ende mijn doot an leghet?
3070 Dit es mijn troost, mijn toeverlaet,
An heme leghet al mijn raet.»
Doe baden si Clarise beide,
Dat si haer minne niet brachte te leide
Ende sise decte ende hale,
3075 Want wort gheseit den ammirale.
Si wisten wel, si souden sterven
Entie bliscap van harre minnen derven.
«Nu weest», sprac Claris, «al onvervaert,
Ende hebt ghene hoede te mi waert.
3080 In ben niet so dul van seden ende van sinne.
Dat ic mine gherechte ghesellinne
Met enigher valscheit bedrieghen soude.
Ic sel u doen alsic selve woude.
Of ics hadde te doen, datmen mi dade.
3085 Beide met hulpen ende met rade
Salie u emmer ghehulpich sijn:
Onser beide eten ende onsen wijn.
Dat selen wi eten onder ons drien.
Ghi selt mi ghetrouwe vinden in dien
3090 Altoes te vorderne uwen wille.
Beide openbare ende stille.»
Als dit was gheseit, te hant
Nam Blancefloer Floris bider hant
3068 Van wie ik u vaak heb gezegd.
3069 Dat hij leven of dood voor mij be-
tekent (Leest men vs. 3069 vóór 3068,
dan kunnen deze verzen als volgt worden
verstaan : Die leven of dood voor mij be-
tekent, zoals ik u vaak heb gezegd).
3071 raet: heil.
3073 Ie leide: tot rampspoed.
3074 decte ende hale : verborgen en geheim
zou houden.
3075 wort: indien het werd.
3079 En wees voor mij niet bevreesd.
3080 dul : verkeerd, slecht.
3081 gherechte: echte, ware.
3084 Of ics hadde te doen: als het nodig
was.
3085 Beide . . . ende : zowel . . . als.
3088 eten : Beter ware nullen, zoals M. de
Vries wilde lezen.
3089 in dien : hierin.
3090 Steeds uw belang te behartigen.
3091 Overal of: altijd (eig. : openlijk eii
verborgen).
3092 te hant: terstond.
139
Vrolike ende met bliden sinne,
3095 Ende leidene ter cameren, daer si woende inne.
Een rijclijc culct op haer bedde lach,
Daer si op te slapen plach.
Daer op ghingen si sitten beide
Ende begonsten te spreken van den leide,
3 1 00 Ende hoe si hadden ghevaren,
Sint dat si ierst ghesceiden waren.
Floris sprac: «Blancefloer, nu hebic u vonden!
Mine bliscap es nu te desen stonden
So groot, dat iet gheseggen niet en mach.
3105 Sint quam die leede dach,
Datmen maecte tusschen ons een ghesceet,
Hebbe ic ghedoghet menich leet;
Nu es mi mine pine wel verghanghen.
In groten seere ende in langhen
3110 Hebbic gheweest ende in groter noot
Dor uwen wüle ende wel na doot.»
«Floris», seit si, «sidi dan dit.
Die weder mi spreect ende neven mi sit?
Ic sie wel ende kiime dat ghijt sijt,
3115 Die van mi nam u vader dor nijt
Ende ter Montoriën sende ter scole.
Ic soude u houden herde in dole
Ende over herde onvroet,
Gheloofdi, dat iet was in minen moet
3120 Dan rouwe ende seer nacht ende dach
Sint dat ic u niet en sach.
3096 rijclijc culct: kostbaar kussen.
3099-3100 van den leide Ende hoe si hadden
ghevaren : van hun leed en (alles) wat hun
was wedervaren.
3105-6 Sinds die afschuwelijke dag, waar-
op men ons van elkaar Scheidde.
3107 ghedoghet : geleden, uitgestaan.
3108 Maar wat ben ik nu gelukkig! (eig. :
wat wordt mijn moeite nu beloond).
3109 In groot en langdurig verdriet.
3111 Dor uwen wille : om u ; wel na : bijna.
3112 sidi dan dit : zijt gij het dan (werke-
lijk).
3113 weder: tot.
3115 dor nijt: uit boosheid.
3117-8 Ge zoudt u deerlijk vergissen en
bitter weinig begrip hebben.
3118 over herde onvroet: voor zeer dom.
3119 Gheloofdi : indien je zou geloven;
iet: iets.
3120 Dan : behalve.
140
Mi wondert herde in minen sinne,
Bi welker list ghi sijt comen hier inne;
Ic waent al bi gokeliën es.
3125 Nu vruchtic ende ben in twifele des,
Dat Floris niet es, die bi mi sit.
Wat seg ic? Ic kenne wel, hi es dit.
Soete vrient, keert u hare te mi.»
So wie sore hadde gheweest bi,
3130 Ende hadde ghesien de bliscap, die de kinder
Met cussen ende helsen hadden ghinder.
Die bliscap ende dat grote spel,
Hi waer te rechte sculdich wel
Te gheloven anden sone Veneris,
3135 Die rechter ende god vander minne is.
Doe toghede hi haer sijn vingherlijft;
Die doghet, die lach ant steenekijn,
Hoe nuttehc ende hoe goet het ware.
Dat seide hi ende vertellet hare,
3140 Doe beghonste si tellen, wat haer was ghesciet
Vandien dat hise Uet
Ende hi haer ter scolen ontvoer,
Tote dier wilen, dat hise bevoer
Inde stat te Babyloniën ende si te samen
3145 Boven inden hoechsten tor quamen.
Claris was wijs ende van sinne,
Ende decte harre twiër minne.
3122 Ik ben er zeer benieuwd naar te
weten.
3124 waent: denkt dat het; hi gokeliën:
door toverkunst.
3125 vruchtic: vrees ik; des: er over.
3127 kenne : zie in.
3128 hare: hierheen.
3129 So wie sore: wie er.
3131 helsen: omhelzen; ghinder: daar.
3132 spel: vreugde.
3134 jone Veneris: zoon van Venus,
Cupido.
3135 rechter: heer.
3136 vingherlijn: ring.
3137 De kracht, die het (edel)steentje be-
zat.
3141 Sedert hij haar had achtergelaten.
3142 haer . . . ontvoer: van haar wegtrok.
3143 Tot het tijdstip, dat hij haar (terug)-
vond.
3144 te samen: (weer) bij elkaar.
3145 den hoechsten tor: het hoogste (de
hoogste verdieping) van de toren.
3146 van sinne: schrander.
3147 decte: hield verborgen.
141
Ende was emmer begrepen in dien,
Datsi gheme hadde ghesien,
3150 Dat verholen ware bleven
Die minne, die de kinder dreven,
Alse van haer selven ware.
Si ghinc dicke te hem ende si te hare,
Ende aten ende dronken al te samen,
3155 Dats dander joncfrouwen niet vernamen,
Ende hadden te gader haer dach cortinge.
Die twee ghelieven leden onderlinge
Die beste werk ende dat scoenste lijf.
Dat noit hadde man of wijf.
3160 Si ne gheerden te hebben niewet el,
No meerre bliscap, no meerre spel.
Hadt hem moghen also duren!
Neent, die goddinne vander aventuren.
Mijn vrouwe Fortune benijdse des
3165 Ende speelde, aisi ghewone es,
Haer spel, alder werelt bekent.
Haer wiel loopt al ontrent:
Dat nu es boven, es sciere onder.
Van haer moechdi horen wonder,
3170 Van harre naturen, van haren sede.
Als si wel gheweest heeft mede
Den man, ende heeften ghebracht so hoghe
Bi haren wille, bi haren ghedoghe.
3148 En was er altijd van vervuld.
3152 Alsof het haarzelf betrof
3153 „Claris ging dikwijls naar de ge-
lieven en dezen kwamen bij haar" (Leen-
dertz).
3155 vernamen: merkten.
3156 dach cortinge: tijdverdrijf.
3158 Zie de aant. bij 2225.
3159 noit: ooit.
3160 Ze begeerden niets meer (eig. : niets
anders).
3162 Plaatst men achter 3161 een komma
i.p.v. een punt en zet men achter 3162 een
punt i.p.v. een uitroepteken — waaraan
ik de voorkeur geef — en naar vriend,
med. van Prof. Dr. G. De Smet door de
Franse teksten geëist, dan kan 3162
begrepen worden als een voorwaarde-
lijke bijzin; hem: van hen.
3163 aventuren : geluk.
3164 des: daarom.
3167 loopt al ontrent : draait aldoor (rond).
3168 sciere : weldra.
3169 wonder: vreemde dingen.
3171 mede: gunstig gezind.
3172 Den man : iemand.
3173 ghedoghe : toelating.
142
Dat hi hem niet ontsiet van vallen,
3175 Eer hijt weet, hi es weder met allen
Onder die voete gheworpen neder.
Datsi gheeft den man, dat nemt si weder.
Dat hine weet, hoe hijs ghedervet.
Menighen prince heeft si ontervet,
3180 Menighen dwaes maect si heere,
Ende gheeft hem rijcheit ende ere.
Tellende paerde met dieren ghesmiden,
Ende cleeten met bonten ende met siden,
Ende maecten heere ende rechter int lant,
3185 Enen biscop maect si van enen truwant.
Enen broot bidder maect si van enen clerc.
Des pleghet si, dus ghedaen es haer werc.
Haer ghichten sijn herde onghestade,
Herde onghestade sijn al haer dade.
3190 Si es wandel ende menichfout:
Hi blijft gheboont, diere hem an hout.
Nu hadde si dese twee so hoge verheven,
Datsi vro waren ende hem luste leven
Ende also te bliven emmermeer.
3195 Doe werp sise in rouwen ende in zeer
Uter bliscap, daer sise brachte toe.
Het gheviel, dat Claris eens merghens vroe
Ontspranc ende wart gheware.
Dat hoech dach was, ende vervaerde hare.
3174 hem niet ontsiet van: niet vreest voor.
3175 met allen : helemaal.
3178 (Zo)dat hij niet (eens) weet, hoe hij
het heeft verloren (Dit lijkt aantrekke-
lijker dan: zonder dat (vóórdat) hij het
weet, hoezeer hij daardoor ook gedu-
peerd is).
3179 prince: vorst; ontervet: uit zijn land
ontzet, in het verderf gestort.
3182 Tellende paerde : eig. : telgangers, v.v.
voortreffelijke, uitgezochte, kostbare paar-
den; dieren ghesmiden : kostbare tuigen.
3183 cleeten: kleedt hem.
3184 rechter: bestuurder, heer.
3185 truwant: landloper, vagebond.
3186 iroor bidder: bedelaar; clerc: ge-
leerde.
3187 Zo doet ze, zo gaat ze te werk.
3188 Haar gaven zijn allerminst duur-
zaam.
3189 Herde onghestade: zeer grillig.
3190 Zij is wispelturig en inconsequent.
3191 Hij komt bedrogen uit, die zich op
haar verlaat.
3198 Ontspranc: ontwaakte.
3199 Dat het al (erg) laat was en (ze)
maakte zich er zorgen over.
143
3200 Want sijs toren waende gewinnen.
Te Blancefloere riep si, haer ghesellinne,
Ende seide haer dat hoghe waer opten dach.
Blancefloer herde vacrech lach
Ende andwoorde, als sise roepen hoorde;
3205 «Ic come» seit si. Metten woorde
Bleef si liggende ende sliep.
Claris haesteHc ten condute liep,
In haer becken si twater ontfinc
Ende vervaerdelic si neder ghinc
3210 Voor haren heere den ammirale.
Daer waende si vinden metter dwale
Blancefloere, die in haer camere lach.
Alse dammirael niet en sach,
50 wonderde hem ende hi vraechde hare,
3125 Waer Blancefloer merde ende bleven ware,
51 soude te sinen dienste wesen.
«Here», sprac Claris, «si heeft ghelesen
Al desen nacht haer boekelkijn
Om u langhe lijf, dat ghi moet sijn
3220 Met eren inde werelt vortwaert meer,
Ende si bleef slapende een lettel eer.»
«Eist waer?» seit hi. «Here, seit si, «jaet».
«Te waren», seit hi, «dats ene edele daet;
Wel met rechte mach si sijn mijn wijf,
3225 Die bit om mijn ere ende langhe lijf.»
Dit liet hi also ghewerden doe.
Het gheviel eens anders merghens vroe.
3200 Want ze was bang, dat ze er moei-
lijkheden door zou krijgen.
3202 hoghe waer opten dach : Zie de aant.
bij 3199.
3203 herde vacrech: erg slaperig.
3205-6 Metten woorde Bleef si liggende ende
sliep : meteen viel ze weer in slaap.
3207 condute: waterleiding.
3208 becken : waskom.
3209 vervaerdelic : vol vrees.
3211 waende: hoopte; dwale: handdoek.
3213 Alse: toen haar.
3215 merde: toefde.
3218 boekelkijn: boekje (versta: gebeden-
boekje).
3219 lijf: leven; moet: moogt.
3220 vortwaert meer: verder.
3221 En ze viel pas zoeven in slaap.
3223 Te waren: waarlijk.
3225 lijf: leven.
3227 Dit liet hij toen op zijn beloop.
144
Dat Claris ontspranc ende sach,
Dat hoghe was op den dach,
3230 Ende riep Blancefloere ende hietse opstaen.
Blancefloer hietse om twater ghaen,
Si soude voren ghaen metter dwale
Ende wesen daer eer; ende binnen der tale
Floris Blancefloer te hem dwanc
3235 Ende si hem weder. Daer waest so lanc
Dat cussen ende dat helsen ghedreven,
Dat si beide in slapen bleven,
Mont an mont, kin an küme.
Binnen dien was Claris, haer ghesellinne,
3240 Verdelike ten püore gheghaen
Ende hadde dat water ontfaen
In enen becken van goude,
Ende als si weder keren soude
Ende liden der doren, lude si roep:
3245 «Joncfrouwe, haest u.» Blancefloer sliep
So vaste, dat sijs niet en hoorde,
Ende gaf haer weder ghene antwoorde.
Claris waende, dat si voor haer ghinge,
Ende vruchte haer lange nierringhe,
3250 Ende haeste te meer. Dat si quam
Voerden ammirael, ende hi vernam,
Dat Blancefloer niet quam met hare,
Vraechde hi, waer si bleven ware.
Joncfrouwe Claris ontvruchte seere:
3228 ontspranc: ontwaakte.
3229 Zie de aant. bij 3199.
3232 voren : vooruit ; dwale : handdoek.
3233 binnen der tale: intussen (eig. : onder
dit gesprek, t.w. van Ckris en Blance-
floer).
3234 Ie hem dwanc : drukte tegen zich aan.
3237 in slapen bleven : in slaap vielen.
3240 Verdelike: snel; ten pilore: naar de
pilaar {vg. 2415).
3242 becken : waskom.
3244 liden der doren : langs de deur gaan.
3246 sijs niet en hoorde : zij er niets van
hoorde, het helemaal niet hoorde.
3247 En niets terug zei, haar geen ant-
woord gaf (of: en ze zei niets terug, enz.).
3248 Claris dacht, dat ze haar al vooruit
was gegaan.
3249 En zat in de war over haar (eigen)
lange toeven.
32450 Dat: toen.
3251 vernam : zag.
3254 ontvruchte seere : werd zeer bevreesd.
145
3255 «Ghenade», seit si, «soete heere,
Een lettel eer, doe ic was op ghestaen,
Ende ic om water soude ghaen.
Riep icse, eer ic hare cameren leet.
Si antwerde ende seide, sie waer ghereet,
3260 Si soude hier eer sijn dan ic.»
Doe bepeinsde hem dammirael een stic;
Het dochte hem wonderlike dinc.
Hi riep te hem sinen camerlinc.
Hi sat verbolghen ende seere vererret:
3265 «Ghanc», seit hi, «sie, waer merret
Blancefloer, ende doetse haestelike comen.»
Die ghene en hadde niet vernomen.
Dat hi Claris voor sinen heere liet staen.
In Blancefloeren camer quam hi gheghaen,
3270 Daer vant hi so grote claerheit binnen
Van dieren stenen in allen sinnen.
Een rijclic bedde hi versach,
Daer Blancefloer bi Florise op lach.
Als hi haerre twiër wart gheware
3275 Te gader ligghen, hi waende dat ware
Blancefloer ende Claris, hare ghespele,
Bedi hi en merkets niet so vele.
Dat hi des jonghehncs in inne wart:
Floris en hadde graen no baert.
3280 Daeme was inden tor ne ghene
So scone als hi was sonder Blancefloere allene.
3256 Een lettel eer : zoeven.
3258 leet: voorbijging.
3261 Toen dacht de emir een poosje na.
3262 wonderlike dinc : een vreemde zaak.
3263 camerlinc : kamerheer.
3264 vererret: vertoornd.
3265 merret: blijft.
iThl Hie ghene : t.w. de camerlinc; ver-
nomen: gemerkt.
3268 Verste: dat Claris voor de emir
stondi toen hij de kamer verliet.
3270 50: zeer; claerheit: lichtglans.
3271 Van kostbare edelstenen aan alle
kanten.
3272 rijclijc : kostbaar, fraai; versach: zag,
merkte op.
3276 ghespele : vriendin.
3277 Omdat hij niet zo luuwkeurig keek,
er niet zo precies op lette.
3278 Dat hij merkte, dat het een jonge
man nas.
3279 graen: snor.
3280 ne ghene : niemand.
3281 sonder: behalve.
146
Doe hise sach slapen so soetelike
Ende hebben behelst so vriendelike,
Jammerde hem, dat hise soude wecken
3285 Ende beghan te hant achtertrecken.
Hi keerde weder te sinen heere.
Die niemare mesquam hem seere.
«Heere», seit hi, «ghi en saghet nie so grote minne
Als Blancefloer ende haer ghesellinne
3290 Claris hevet, want si slapen te samen.
Dat dochte mi, heere, so wel ghetamen,
Daer ic voor hem stoet ende sach,
Hoe haer ghelijc in anders arme lach.
Die vrientscap ende die grote minne,
3295 Mont an mont, kin an kinne:
In dorstse wecken no inne woude.
Des ic vruchte, dat icse pinen soude.»
Claris bevede, daer si hoorde dat,
Dammirael verstiet hem ende versat:
3300 Hi wart bleec ende root daer naer.
Hi ontsach ende hadde groten vaer.
Dat iement bi Blancefloer laghe
Ende verholentlike harre minnen plaghe.
«Reect», seit hi, «mijn swaert; ic sal gaen scouwen
3305 Die sameninge vanden tween joncfrouwen.
Du heves gheloghen: hier staet Clarijs,
Daer du ave seits, hoe ghedane wijs
Si in Blancefloeren armen leghet.»
3283 behelst: (elkaar) omhelsd.
3284 Vond hij het jammer ze wakker te
maken.
3285 £n ging hij zich onmiddellijk terug-
trekken.
3287 Het nieuws behaagde hem aller-
minst-
3288 nie : nooit.
3291 Dat maakte. Heer, zo'n aangename
indruk op me.
3293 Hoe ze in eikaars armen bgen.
32% Ik waagde noch wilde ze wekken.
3297 Omdat ik bang was ze te storen.
3298 daer: toen.
3299 De emir schrikte op en ontstelde
hevig (De lezing uersciet voor verstiet ver-
dient overweging).
3301 Hij vreesde (maar al te) zeer.
3304 Reect: reik, geef.
3305 Die sameninge : het samenzijn.
3307 Van wie je vertelde dat.
147
Noch seit hi, wat iement seghet,
3310 Dat niement so coene si, dat hi dorre
Enigher joncfr ouwen ghenaken inden tor re.
Met hem dede hi ghaen sinen camerlinc.
Hi clam den graet op ende ghinc,
Daer hi die kinder slapende vant.
3315 Dat swaert hüt hi al baer in sijn hant,
Ende ghinc ten bedde, ende bleef staen daer vore.
Men ontsloot die venstren, daer sceen dore
Die sonne ende maket so licht daer binnen.
Doe sach hi die kinder met groter minnen
3320 Ligghen ghehelst, als hem was geseit.
Nie en ghesciede hem meere leit.
Blancefloere kinde hi, als hise sach,
Maer Florise, die bi haer lach,
Ne hadde hi nie te voren ghesien.
3325 Nu moghen wi alle wonder sien
Alse dammirael dit scouwede an,
«Here god», seit hi, «eest wijf of man?»
Te hem riep hi sinen camerlinc ;
«Ontdect», seit hi, «haer borste». Die gene ginc
3330 Ten bedde ende beghanse ontdecken
Liselike, dat hise niet soude wecken.
Doe wart hi gheware, dat deen was een man.
So groten toren hi des ghewan.
3309-11 „Toch bKjft hij zeggen, wat men
hem ook vertelt, dat niemand zoo brutaal
zal zijn om eenige jonkvrouw in den
toren te genaken" (Leendertz). Liever
vertaal ik op grond vm het verband:
voorts zegt hij dat — wat men ook zegt
(versta: hoe ook) — niemand het on-
gestraft zal wagen een jonkvrouw in de
toren te genaken. Volgens vriend, med.
van Prof. Dr. G. De Smet is de laatste
verklaring o.g.v. de Franse teksten de
beste.
3313 graet: trap.
3315 baer: bloot, ontbloot, uit de schede
getrokken.
3318 ende maket so licht: die het zeer licht
maakte.
3319 met groter minnen: zeer innig.
5320 ghehelst : elkaar omhelzend; als:
zoals.
3321 Me en : nooit.
3322 kinde : herkende ; als : toen.
3324 nie : nooit.
3325-7 Deze versregels zijn in het hand-
schrift nog slechts gedeeltelijk leesbaar;
de cursief gedrukte aanvullingen zijn van
Leendertz (vs. 3325) en M. de Vries
(vs. 3326-'^.
3331 Zachtjes om ze niet wakker te maken.
3333 Hij werd er zo door vertoornd.
148
Dat hi een woort niet mochte spreken;
3335 Van tome docht hem therte breken.
Dat swaert verdroech hi ende wilde slaen;
Mettien ontsprongen si ende saghen staen
Voer hem den vruchteliken heere
Met enen baren swaerde verbolghen seere.
3340 Van vruchten waenden si bederven,
Si en twifelden niet si en souden sterven.
Doe sach op Floris Blancefloer;
Een suchten haer vander herten voer,
Hi beghonde te wenen ende soe.
3345 Dammirael stoet erre ende sacht toe.
Si lagen hem te ghereit te slane beide;
Hi sette Floris in talen ende seide:
«Wie bestu, eUendich keytijf.
Ja en seltu nu verHesen dijn lijf?
3350 Hoe waerstu ie so dul ende soe coene
Dus groten lachter mi te doene
Ende te slapen bi niinen Heve?
Du best comen ghelijc enen dieve.
Dat saltu met dinen Hve copen seere.
3355 Bi alden goden, die ic eere,
Ic seldi verslaen ende dine pute.
Heden sel ghaen u minne ute.
Die ghi nu hebt ghedreven ende echt.
Waer dat mijn eere ende mijn recht.
3334 een woorl niet mochte: geen woord
kon.
3336 verdroech hi : hief hij op.
3337 Mettien ontsprongen si: op hetzelfde
moment werden ze wakker.
3338 vruchteliken : vreselijke.
3339 baren : (ont)bloot.
3340 Van vrees dachten ze te sterven, ze
bestierven het van angst.
3341 niet si en : er niet aan of ze.
3344 soe : zij.
3345 ore: vertoornd; ende sacht toe: er
naar te kijken.
3346 Versta : zoals ze daar lagen, was het
al te gemakkelijk voor hem ze beiden te
doden.
3347 Hij riep Floris ter verantwoording
en zei.
3348 keytijf: (nietswaardig) creatuur.
3349 en seltu: moetje niet; lijf: leven.
3350 ie: ooit; dul: uitzinnig; coene: bru-
taal.
3351 lachter: smaad.
3354 live: leven; copen: bekopen.
3356 verslaen : doden; pute: lie^e (die een
snol is).
3358 nu .. . ende echt : aldoor.
3359 Waer dat : zou dat stroken met.
149
3360 Dat ic u Uete leven? Neent.
Sint dat ghi minen tor dus hebt ontreent
So moeti sterven, dat weet wale.»
Doe antwoorde Floris den ammirale
Herde oetmoedelike ende weende seere:
3365 «Ghenaden», seit hi, «soete heere,
Dit es ene die mi mint
Voor alle die ghene, die si kint,
Ende ic hare voor alle, die ic kinne.
Nie wart so ghestadighe minne,
3370 No so gherechte, no so gheware.
Als si te mi draghet ende ic te hare.»
Als hi niet langher spreken dorste.
Bat hi, dat hi hem ghave vorste.
Des si moesten comen voor sine man,
3375 Ende mense bi vongnessen verdade dan.
Hi gaf hem vorste ende hietse neder bringen
Twee serianten, daer hi soude dinghen.
Maer si moesten hem teersten cleden
Ende ten vreseUken ordeele ghereden.
3380 Nu quam die feeste entie dach,
Diemen elcs jaers te hebben plach.
Dat dammirael wijf nemen soude.
Daer waren vergader tjonghe ende oude,
Coninghen, hertoghen ghemeenlike,
3385 Ende aldie hoechste vanden rike.
3360 Dat: indien.
3361 Sint dat: nu; ontreent: bezoedeld.
3367 Voor: boven.
3369 Nooit heeft er een zo standvastige,
hechte liefde bestaan.
3370 Noch zo'n oprechte noch zo'n
waarachtige.
3371 te mi draghet: voor mij koestert.
3372 Als: toen.
3373 uorste : uitstel.
3374 Totdat ze, als hij dat goedvond
{moesten = mochten), verschenen voor
zijn rechters (De lezing van hs. B verdient
de voorkeur, men leze Dat voor Des en
vertale: opdat zij voor zijn rechters
mochten verschijnen).
3375 En men hen dan krachtens een (ge-
rechtelijk) vonnis te recht zou stellen.
3376-7 Hij gaf hun tiitstel en beval twee
dienaren ze beneden te brengen (in de
zaal) waar hij recht zou spreken.
3378 Maer si moesten: lees naar hs. B:
daer moesten si; hem teersten cleden: zich
terstond aankleden.
3379 ghereden : gereed maken; die feeste
entie dach : die feesteüjke dag, feestdag.
3384 ghemeenlike : tezamen.
150
Herde rijclijc was binnen de zale,
Die pilare waren alle van kerstale.
Teben no Troien en hadden nie gheen
So rijclijc palas als dat was een.
3390 Dat was ere milen wijt ende lanc,
Van goude was al die inganc.
Daer ane was ghemaect menich wonder:
Die hemel boven, die aerde onder;
Omtrent der aerden liep de zee;
3395 Dat clare licht tusschen die twee,
Inden hemel ghelijc ghemaet ere sterren,
Also sceent daer van verren;
Inder erden den man ende menigherhande diere,
Menighen berch, menich dal, menighe riviere,
3400 Menighe bosscaelie met groten bosschen,
Daer boven die lucht, die vogle tusschen;
Inde zee vissche groot ende clene.
Nie wart ghesien creature ghene
Van allen den ghenen, die nu leven,
3405 Men mochtse daer vinden ghescreven.
Alse gheseten waren alle die heren,
Ende dammirael alre hoechst met groter eren,
Hi stoet ende maecte een ghestille
Metter hant ende seide sinen wille:
3410 «Ghi heren, verneemt mine woort,
Ende na der talen, die ghi hoort,
Antwoerd so dat ghijs hebt ere.
Van u allen en es niement so here.
3386 rijcUc : mooi, fraai.
3387 kerstale : kristal.
3388 Teben ; Thebe; nie gheen : geen (een).
3390 ere : een.
3394 Omtrent: (rond)om.
3395 Dat clare licht: de zon (?).
33% ghelijc ghemaet ere sterren: „afgebeeld
op de grootte van een ster" (Leendertz).
3398 Inder: op de; man: mens; menigher-
hande : allerlei.
3400 bosscaelie : bosschage.
3403 creature : dier.
3405 Of men kon ze daar afgebeeld
vinden.
3408 stoet ; stond op ; ghestille : gebaar om
te zwijgen.
3409 sinen wille : wat hij op zijn hart had.
34\2 ghijs: gij daardoor.
3413 here: hooggeplaatst.
151
Wilde hi breken ende ontkeren trecht,
3415 Ic seg hem over waer ende over plecht.
Dat an sijn lijf ende an sijn eere sel gaen.»
Die doe iet waende hebben mesdaen
Ende besculdicht was jeghen den ammirale,
Hi vruchte herde dese tale.
3420 «Nu hoort», seit hi, «ic segghe u voort.
Van Blancefloere hebdi ghehoort.
Die hier es inden torre boven
Van so groten prise ende van loven.
Des es cume drie maent leden,
3425 Dat mi so wel bequamen haer seden
Ende haer ghelaet, ende si mi dachte
Van so hoghen ende van so edelen gheslachte.
Dat icse tienvout met goude dede weghen.
Den comamien, daer icse cochte jeghen.
3430 Als icse hadde ghecocht, dedicse te hant
Hier boven inden tor, daer si vant
Seven werf twintich joncfrouwen in.
So wel bequam mi in minen sin
Haer ghedene ende haer goede seden,
3435 Dat icse boven hem allen dede.
Ic hadde mi ooc vermeten des.
Om dat si so overscone es,
Ic soudese hebben ghenomen te wive
3414 ontkeren : schenden.
3415 ouer waer : voor waar, de waarheid ;
over plecht : op plechtige wijze.
3416 Dat zijn leven en zijn eer er mee ge-
moeid zullen zijn.
3417 doe iet waende : toen in enig opzicht
meende.
3418 Ende beschuldicht : = (beschuldich)
was: en iets op zijn geweten had.
3419 vruchte herde : hoorde met schrik aan
(eig. : vreesde zeer).
3420 segghe u voort : maak u bekend.
3423 Die zoveel lof en prijs waardig is.
3424 Het is nauwelijks drie maanden
geleden.
3425 Dat mij zo (zeer) behaagden haar
manieren.
3426 ghelaet (manier van) doen; dachte:
voorkwam (te zijn).
3428 Zie de aant. bij 698.
3429 daer . . . jeghen : van wie.
3430 te hant : terstond.
3433 bequam : Zie de aant. bij 3425.
3434 ghedane : voorkomen.
3435 dede : verhief.
3436 vermeten des: voorgenomen.
152
Ende emmermeer ghehouden te minen live.
3440 Ic deedse mi dienen te minen opstane.
Dies ic elcs daghes haer ghedane,
Die ic hadde vercoren, wilde sien.
Nu gheviel tere stonde binnen dien,
Datse te minen dienste niet en quam
3445 Ene werf, ende ander werf wardic gram.
Ic sendde om haer minen camerlinc,
Hi ghinc wech ende vant enen jonghelinc
Herde soetelike slapende bi hare.
Hi waende, dat Claris haer ghesellinne ware,
3450 Te gader laghen si herde vriendelike.
Dit seide hi ende swoer sekerlike
Ende telde mi die minne, die si twee
Onderlinge dreven, ende mi wart wee.
Om dat ic Clarise voer mi sach,
3455 Die hi mi seide, dat bi Blancefloere lach,
Dat ic een woort niet mochte spreken
Ende peinsde, hoe iet mochte wreken.
Mijn swaert namic in mijn hant
Ende ghinc daer icse slapende vant,
3460 Ende metten armen te gader ghedrongen.
Ic vertoghet swaert ende si ontsprongen,
Ende spraken te mi ende baden ghenade.
Doe bepeinsdic mi, dat ic mesdade
Ende onrecht waer ende quaet,
3465 Of icse versloeghe sonder uwen raet
Ende sonder vongnesse van u allen.
3439 te minen live : voor mijn (gehele)
leven.
3441 Dies: omdat.
3443 Nu gebeurde het in die tijd een
zekere keer.
3445 Na Ene werf schijnt iets te ontbreken,
versta: de eerste keer liet ik het er bij,
maar de tweede keer werd ik boos.
3449 Hl' waende, dat : hij dacht, dat het.
3451 sekerlike: voor waar, de waarheid.
3453 mi wart wee : het deed mij pijn.
3456 Dat: zodat; mochte: kon.
3460 Elkaar omarmend, in eikaars armen.
3461 vertoghet swaert: trok het zwaard;
ontsprongen: werden wakker.
3463 Toen realiseerde ik, dat ik er ver-
keerd aan zou doen.
3465 Indien ik ze zou doden zonder uw
goedvinden.
153
Ghi heren, dus eist mi ghevallen.
Nu manie u allen ende beswere,
Dat ghi peinst om mijn eere,
3470 Hoe ic die mesdaet best ghewreke,
Dat mi tfolc gheen lachter en spreke.»
Doe spraken si alle ghemeenlike:
«Ammirael, heere, wreect haestelike
Den lachter, die di es ghedaen,
3475 Met groten tormenten doese verslaen.»
Alle die ghene, die waren ghinder.
Wijsden te verdoen die kinder.
Daer en was niement in haer ghedinge;
Some riedense, dat mense hinge;
3480 Some, dat mense op rade brake;
Some, dat mense met paerden trake;
Some, dat mense beme in enen viere;
Some, dat mense indie riviere
Met swaren stenen versinken soude;
3485 Alle, diere bi waren, jonghe ende oude.
Wijsden hem marteliën ghenoech,
Welcsins dat haer raet gedroech.
Doe stoet op een coninc, die Alfages hiet:
«Ghi heren,» seit hi, «dit en es recht niet.
3490 Menne ghewimies nemmer lof.
Dat vor minen heere ende in sijn hof
Dus groet gheroep es te sinen ghedinge.
Uwerlijc heeft hier sonderlinghe
3467 Zo is het me vergaan.
3471 gheen lachter en spreke : niet tot
schande zal rekenen.
3472 ghemeenlike : tezamen.
3474 lachter: smaad, hoon.
3475 Laat ze op smartehjke wijze doden.
3476 ghinder : daar.
3477 Wijsden te verdoen: veroordeelden
ter dood (eig. : spraken als hun oordeel
uit te doden).
3478 in haer ghedinge : die het voor ze op-
nam.
3479 Some riedense : er waren er, die voor-
stelden.
3480 op rade brake: zou radbraken.
3481 met paerden trake: zou vierendelen.
3482 beme : zou verbranden.
3486 Veroordeelden hen tot velerlei
(diverse?) soorten marteldood.
3487 „Al naarmate hun inzicht mee-
bracht".
3490 Men legt er bepaald geen eer mee in.
3492 gheroep : geschreeuw.
3493 Ieder van u heeft op zijn beurt.
154
Sijn vongnesse gheseit ende sinen wille;
3495 Doet wel ende swighet stille,
Ende latet tenen hoefde comen.
Wi hebben ghehoert ende vernomen
Ons heren lachter ende sine woert.
Nu sijn wi sculdich te horen voert
3500 Der kinder antwoerde ende haer tale,
So moghen wi na rechte doemen wale
Ende segghen recht van so hogher sake
Tusschen onsen heere ende der kinder sprake.»
In dander side stoet op mijn heere Gaifier,
3505 Een coninc van Arabiën stout ende fier:
«Heere her coninc, wat es so ghedaen sede?
In prijs nemmer no love dusdane reden.
Die ghi ons segt ende doet verstaen.
Hebben si onsen heere lachter ghedaen,
3510 Soe es wel recht, datmense verdoe
Sonder weder tale, ic seg u hoe.
Die enen dief met dieften vinghe,
Quaet ware quame hi int ghedinge
Jeghen iement of te weder talen.
3515 Onse heere, hi doe dese twee halen
Ende doese te samen verbemen bede.»
Dese surlike woerde ende wrede
3494 wille : wens.
34% tenen hoefde : tot een beslissing.
3498 lachter: smaad.
3501 doemen: oordelen.
3503 sprake : verdediging (Leest men ons
heeren tnie der kinder sprake dan versta
men: de aanklacht van onze heer en de
verdediging van de kinderen).
3504 Mijn heer Gaifier kwam daartegen
op, verzette zich daartegen.
3506 Heere her : heer ; wat es so ghedaen
sede: wat heeft dit te betekenen, wat is
dit nu.
3507 Ik kan volstrekt niet instemmen met
een dergelijk voorstel.
3509 lachter : smaad.
3510 verdoe: doodt.
3511 weder tale: verdediging; hoe: waar-
om.
3512-4 Wanneer men een booswicht op
heterdaad zou betrappen, zou het ver-
keerd zijn hem een (normaal) proces of
een (zelf) verdediging toe te staan (Vg.
Leendertz' weergave: „het zou verkeerd
zijn, als de op heeter daad betrapte dief
daarover tegenover iemand in proces of
twistgesprek mocht komen, laat staan
tegenover den emir").
3516 verbemen: (levend) verbranden.
3517 surlike: harde, bittere.
155
Loefden si alle ende sochter toe.
Om die kinder sende men doe.
3520 Twee serianten brachtense voert,
Droef ende serech, als ghi hebt ghehoert,
Om die mertelie, die si ontsaghen.
Datsi hem al ghaende onder saghen,
Haerlijc ontfarmde anders seere.
3525 Doe sprac te Blancefloere die joncheere :
«Soete minne, wi sijn der doot
Nu seker ende in groter noot.
Nu moeten wi sterven, weten wi wel.
Dats mijn scout ende niemens el.
3530 Bi mi es comen, scone joncfrouwe.
Uwe herte in groten rouwe.
Hadde ic hier tote u comen niet,
So en waer u desen toren niet ghesciet.
Maer sel dammirael na recht rechten,
3535 Ghi selt met rechte der doot ontvechten.
Tonrechte soudi sterven nu,
Bedi en es niet comen bi u.
Soete, nu nemet dit vingherlijn:
Also langhe alst over u sel sijn,
3540 Ne moghedi sterven in ghere wijs.»
«Florijs,» seitsi, «wel soete amijs,
Herde onrecht dinct mi u tale:
Die scout es mijn, dat wetic wale.
Bi mi hebdi dese grote scande
3545 Ende quaemt mi soeken uut uwen lande,
3518 sochter toe: „verscherpten ze nog"
(Leendertz), deden er nog een schepje op.
3521 serech: treurig (gestemd).
3522 mertelie: martelmg(en), marteldood;
ontsaghen : vreesden.
3523 Terwijl ze al gaande naar elkaar
keken.
3524 Had de een deernis met de smart
van de ander.
3528 weten wi wel: dat staat vast.
3529 Dat is de schuld van mij en van
niemand anders.
3533 toren : leed.
3535 ontvechten: ontgaan.
3537 Omdat het uw schuld niet is.
3538 vingherlijn : ring.
3539 <j!it over u sel sijn: als gij die zult
dragen.
3540 Kunt ge beslist niet sterven.
3542 Bepaald onjuist vind ik, wat ge zegt.
156
Ende sijt dor mi comen hier inne.
Bedi weet ic wel ende verkinne,
Dat ic voor u sterven soude,
Ofmen na recht rechten woude.
3550 Doer ne ghene anxt vander doot,
No dor ghene martelie so groot
Ne willic houden tvingherlijn,
Bedi die sculden sijn alle mijn.»
Florijs seide, hine conde ghedoghen,
3555 Dat si soude sterven voer sinen oghen
Ende hi selve leven soude.
Hi bat haer, dat sijt name, ende sine woude.
Hi warp hare ende sijt hem weder
So langhe, dat viel daer neder
3560 Onder die voete; si ghingen voert.
Een hertoghe ghegreept, diet hadde ghehoort
Den prijs die hem Floris gaf;
Sijn herte verblide hem daer af.
Blancefloer sprac: «Floris, het waer onrecht groot,
3565 Dat ghi voor mi ontfinct de doot,
Bedi ic weet wel, sterfdi voren,
Dammirael heeft so vercoren
Mine scoonheit, dat hi mi houden sal.»
«Minne», seit hi, «hets mijn scout al:
3570 Ic wil vor u die doot ontfaen.»
Aldus quamen si int palas ghegaen
Voer den ammirael ende sine baroene.
3546 dor: om.
3547 Daarom is het mijn overtuiging.
3549 Ofinen: als men.
3550-1 Noch uit enige vrees voor de
dood noch om welke marteling hoe groot
ook.
3553 Bedi: dewijl.
3556 Ende : terwijl.
3557 ende sine woude : maar ze wilde (het)
niet.
3558 Hij wierp hem naar haar toe en zij
weer naar hem (terug).
3559 Dat: totdat hij (t.w. de ring).
3561 ghegreept: raapte hem op; diet: die
het (t.w. Den prijs die hem Floris gaf).
3562 prijs: lof (versta: de beschermende
macht).; hem: t.w. de ring.
3566 Bedi: want; voren: 't eerst.
3567 vercoren : zijn hart (zijn zinnen) g^
zet (op).
3572 baroene : ridders.
157
Diese hadden ghewijst te verdoene.
Dammirael dede int palas ghebieden
3575 Een ghestille maecte hi alle den lieden.
Dese twee weenden ende suchten
Om die martelie, die si vruchten,
Herde onseker waren si haers lives.
Nie en was vorme mans no wives
3580 So wel ghedaen ende so scone,
Met scoenheden verwonnen si Absolone
Floris en hadde maer jare vijftiene
Ende was een jonghelinc sterc ende siene,
Hi was wel ghescepen ende smal,
3585 Van sinen live was hi over al
Die beste ghescepene jonghelinc.
Die ie van moeder lijf ontfmc.
Voer den ammirael quam hi gheleet.
Met enen purpure was hi ghecleet;
3590 Sine ploeien stoeden hem wale.
Alle die waren indie zale
En mochten niet ghenoech bescouwen.
En hadde hi niet gheweest in rouwen,
Hi hadde vele scoenre gheweest.
3595 Menne seit van niemen no en leest.
Die so scone was als hi.
Sine soete amië stoet daer bi.
Die hi met scoenheden niet verwan.
Si hadde enen pellen an;
3600 Haer huut was wit als die snee.
3573 Die ze ter dood hadden veroordeeld.
3575 ghestiUe : stilte (object bij ghebieden
en maecte).
3577 vruchten : vreesden.
3578 haers lives : van hun leven.
3579-80 Versta: geen man of vrouw heeft
ooit geleefd zo goed gevormd en zo
schoon van gedaante.
3581 In schoonheid overtroffen ze Absa-
lon (zoon van koning David, Oud-
testamentisch toonbeeld van schoonheid).
3583 siene : knap, schoon.
3584 smal: slank.
3585 live : lichaam.
3587 Die ooit is geboren.
3588 gheleet : (onder geleide) gebracht.
3589 purpure : purperen mantel
3590 ploeien : mooi gedrapeerde mantel.
3598 verwan : Zie de aant. bij 3581.
3599 pellen: Zie de aant bij 616.
158
Wat magicker of segghen mee ?
Scone ende wel ghescepen was haer lijf.
Nie en sach man so sconen wijf.
Daer ne was niement int perlement
3605 So vroet, die hadde bekent,
Welc die scoenste was van hem tween.
Daer ne was so fel no so quaet gheen,
Hi en weende ende ontfarmde
Harre marteliën ende carmde
3610 Om haer doot ende haren torment.
Haer vongnesse hadden si gheme ghewent,
Hadden si ghedorren dor haren here.
Dammirael sat verbolghen sere,
Dat hem haers ontfarmde niet.
3615 Hi deedse ontcleeden ende hiet,
Dat mense bonde met vasten banden.
Al ghebonden dede hise te handen
In enen pleine buten den palaeis leden,
Daer hi een vier hadde doen ghereden,
3620 Ende hietse werpen inden viere.
Beide goede ende quadertiere
Weenden, daer sise leiden saghen,
Ende seiden, dorsten sijs ghewaghen.
Dat sise gheme copen souden
3601 Wat kan ik er meer van zeggen.
3604 perlement : vergadering.
3605 Die zo knap was, dat hij had kunnen
uitmaken.
3606 Wek: wie.
3607 fel : ongenadig.
3608 Hi en: of hij; ontfarmde: had deernis
met.
3610 (orment: lijden {haer ioot enie haren
torment: hun lijden en hun dood (prote-
lon husteron) of hun smartelijke dood
(hendiadys).
3611 ghewent : veranderd, ongedaan ge-
maakt.
3612 ghedorren dor: ('t) gedurfd voor.
3614 Zó dat (of: zodat) hij geen deernis
met ze had.
3615 ontcleeden : t.w. tot op het hemd?
Vg. 3687 (of waren ze toen weer ge-
kleed?); hiet: beval.
3616 vasten : sterke.
3617 te handen : terstond.
3618 pleine: veld; leien: leiden, brengen.
3619 vier: brandstapel; ghereden: maken.
3621 quadertiere: bozen.
3622 daer sise leiden saghen: toen ze hen
daarheen zagen voeren.
3623 dorsten sijs ghewaghen: indien ze er
van zouden durven reppen.
3624 copen : loskopen.
159
3625 Met scatte ende haer lijf behouden.
Daer was al over al jammer groot,
Si weenden ende claeghden der noot
Ende seiden: «here God, waer om saltu
Dus scone kinder verliesen nu?
3630 Ter quader tijt waren si gheboren.
Dat si dus selen bliven verloren.»
Doe quam die hertoghe, die tvingherlijn vant.
Dat Blancefloer liet vallen uter hant,
Claeghde ende weende jammerlike,
3635 Voer sinen here knielde hi oemoedelike,
Ende telde hem al die selve woort.
Die hi vanden kindren hadde ghehoort,
Daer si den graet te dale ghinghen.
Doe hiet hise hem weder bringhen,
3640 Bedi dat hi horen woude.
Wat elc ten andren segghen soude.
Die knapen, diese leeden uter zale.
Als mense riep, het bequam hem wale
Ende brachtense weder bhdehke.
3645 Dammirael sprac te Florise wredelike:
«Hoe es dijn name? Ic wilt weten.»
«Here», seit hi, «ic ben Floris gheheten.
Ter Montoriën wasic ghesent ter scolen.
Binnen dien wart mi mijn hef verstolen,
3650 Blancefloer, die hier bi mi staet.
Het waer onrecht, dade men haer quaet
Of enich vemoy hier omme dade.
3625 Met (veel) geld en hun leven sparen
(versta: om hun leven te redden).
3626 al over al: overal, algemeen.
3627 der noot : over de droevige zaak.
3629 verliesen : in het verderf storten.
3630 Ter quader tijt : tot rampspoed, voor
het ongeluk (Versta vs. 3630: het is wel
ellendig, rampzalig, verschrikkehjk).
3631 bliven : gaan.
3632 tvingherlijn : de ring.
3635 oemoedelike : ootmoedig, onderdanig.
3636 telde: vertelde.
3638 Toen ze de trap afgingen.
3640 Berfi dai: omdat.
3642 knapen : knechten.
3643 het bequam hem wale : ze (t.w. de
knapen) vonden het prettig.
3645 wredelike: op barse toon.
3649 verstolen : ontstolen, ontvoerd.
3652 Of wanneer men (haar) hierom enig
leed zou aandoen.
180
In quam hier niet bi haren rade,
Dat der ic wel op die heilighen sweren
3655 Vor u ende vor al dese heren.
Nu doet wel ende dor u selves ere
Laet Blancefloere leven, edel here.
Si es onsculdich, die scout es mijn.
Doet becopen dies de sculde sijn.»
3660 «Heere», sprac Blancefloer, «an dese woort
En hout u niet, die ghi hebt ghehoort.
Ic ben die sake, die scout es mijn;
En haddic inden tor niet ghesijn,
Sone waer mijn Hef niet comen daer.
3665 Ic der wel segghen over waer,
Dat hi eens conincs sone si;
Verlore hi sijn lijf dor de minne van mi.
Dat ware scade ende onrecht groot.
Soete here, laet hem leven ende slaet mi doot.»
3670 «Neen», sprac Floris, «here, laet ghaen
Mine amië, doet mi verslaen.»
Doe antwoerde dammirael ende seide:
«S onder twifel seldi sterven beide.
Ic sel u selve te handen slaen
3675 Ende wreken den lachter, die mi es ghedaen.»
Een swaert nam hi in sijn hant al bare.
Blancefloer spranc voert ende verhaeste hare
Ende boot haer hoeft af te slane.
Florise spronghen uten oghen die tranen
3653 Ik ben hier niet gekomen met haar
medeweten (of: door haar toedoen of:
met haar hulp).
3654 der : durf; op die heilighen : onder
aanraking of in de aanwezigheid van
relikwieën.
3657 dor u selves ere: ter wille van uw
eigen eer.
3658 die scout es mijn : het is mijn schuld.
3659 dies de sculde sijn : wiens schuld het is.
3662 sake : oorzaak.
3663 Was ik niet in de toren geweest.
3664 Sone waer: dan was.
3665 der : durf ; over waer : naar waarheid.
3666 si : is.
3667 dor: om.
3668 scade : jammer.
3671 doet mi verslaen : laat mij doden.
3674 Ik zelf zal u onmiddellijk doden.
3675 lachter: smaad.
3676 bare : bloot, uit de schede getrokken.
3677 voert : naar voren.
161
3680 Ende liep an hare ende tracse achter :
«Soete minne», seit hi, «des soude mi lachter
Al tfolc spreken, die hier dit siet.
Om dat ic ben man, en seldi niet
Hier vor mi die doot ontfaen.»
3685 Doe recte hi sinen hals ende hiet hem slaen
Ende bat, dat hi haeste, hi waer ghereet.
Blancefloer Uep an hem ende greep sijn cleet
Ende traken weder ende Uep vor hem:
«Here», seit si, «ne siedi, dat ic bem
3690 Ter dood ghereet? Mijn es die scult.
Twi ne sladi, of ghi sult?»
Si pijnden hem beide te sine voren,
Maer haer ne weder conde ghehoren
No ghesien dat jammer, no ghedoghen,
3695 Dat dander soude sterven voer sijn oghen.
Die hoghe heden entie baroene,
Diese hadden ghewijst te verdoene.
Die daer waren te jeghen woerden,
Daer si dit saghen ende hoerden,
3700 Si weenden ende hadden groot seer.
Om een vongnesse sachmen noit eer
Wenen so menighen hoghen here.
Den ammirael jammerde selve so sere.
Dor al dat hi was verbolghen so,
3705 Hi wart so serich ende so onvro
Ende weende so, dat hi haers rouwen
3680 an hare: naar haar toe; achter: terug.
3681-2 des soude mi lachter Al tfolc spreken :
al het volk zou mij dit tot schande reke-
nen.
3685 hiet hem : zei dat hij moest.
3687 an hem : naar hem toe.
3688 traken weder: trok hem terug.
3689 ne siedi : ziet u niet.
3691 Waarom slaat u niet, als u slaan
moet (versta: als het niet anders kan zijn).
3692 Ze spanden zich allebei in de eerste
te zijn.
3693 haer ne weder: geen van beiden.
3697 Die ze ter dood hadden veroordeeld.
3698 te jeghen woerden : tegenwoordig.
3699 Daer: toen.
3700 seer: verdriet.
3703 De emir zelf vond het zo verschrik-
keUjk.
3704 Ofschoon bij zeer vertoornd was.
3705 Hij werd er zo naar van.
3706-7 En weende zo, dat bij hun smart
uit deernis niet langer kon aanzien.
162
Nemmeer van jammere conste ghescouwen.
Als hi hoorde dese seerlike woert,
Ende hi den enen sach comen voert,
3710 Om dat hi woude sterven voren,
Ende Blancefloere, die hi hadde vercoren,
Sach so tonghereke wesen, doe
Quam hem so ghedaen jammer toe,
Dat hijt swaert uter hant liet vallen.
3715 Doe waser bUscap onder hem allen.
Si weenden ende si waren blide.
Alle waren si inder kinder side.
Die hertoghe, die tvingerUjn hadde op gheheven,
Hi pijnde hem herde om der kinder leven.
3720 Nu docht hem tijt te spreken goet.
Want elc es sculdech om sijns heren moet
Te wachten ende nemen ware.
Hi sprac ten baroenen al openbare:
«Ghi heren, nu gheraden wi
3725 Onsen here, dat hi sonder lachter si,
Ende tperlement met sire eren scede!
Die kinder waren ghewijst te verdoene bede :
Nu gheraet, ghi heren, ghi baroene.
Onsen here sijn eere hier mede te doene.
3730 Bi minen sinne, bi minen wane.
3708 Toen hij die aandoenlijke woorden
hoorde.
3709 voert : naar voren.
3710 voren : het eerst, voor de ander.
371 1 hadde vercoren : zozeer beminde.
3712 tonghereke: ellendig er aan toe.
3713 Werd hij (daardoor) zo aangegrepen.
3716 Versta: ze weenden van vreugde.
3717 inder kinder side: op de hand van de
kinderen.
3718 tvingerUjn hadde op gheheven: de ring
had opgeraapt!.
3719 Hi pijnde hem herde: (hij) spande zich
zeer in.
2720 Het leek hem nu het geschikte mo-
ment om te spreken.
2721-2 Want ieder moet letten op de
stemming van zijn heer en daarmee
rekening houden.
3724 gheraden wi: laten wij (zo) raden.
3725 lochter: schande.
3726 En deze zaak wordt beslist (of (eig. ?) :
en de rechtszitting (of de vergadering)
wordt gesloten) zonder dat er aan zijn
eer te kort wordt gedaan.
3727 ghewijst te verdoene bede : beiden ter
dood veroordeeld.
3729 Onze heer, hoe in deze volgens zijn
eer te handelen (of: hoe de eer van onze
heer in deze het best gediend zal worden).
3730 Naar mijn mening.
163
So leghet so lettel sire eren daer ane,
Al mach hijt doen, dat hise verdade,
Hi heeft haer lijf in sire ghenade.
Ic neemt bi Gode ende mire wet,
3735 Dat mi dinct sijn ere bet.
Dan mense verdade, al waert recht.
Want dammirael mach hem wachten echt
Jeghen so ghedane Ust ende bliven voort
Jeghen Gode sonder sonde ende moort:
3740 Mi dinct vroetheit, dat hijt doe.
Dits u ere spade ende vroe.»
«Here, doet wel u ere ende dit doet:
Dat loven wi alle, ende die raet es goet.»
Alse dammirael hoerde, dat sine baroene
3745 Dit baden hem ende rieden te doene.
Was hi blider dan hi sinen lieden
Te verstane dede, diet hem rieden,
Ende seide hem, dat hijt doen soude,
Te dien dat Floris segghen woude,
3750 Hoe hi so hoghen tor opclam,
Ende hoe hi in Blancefloeren camer quam,
Bi welker Hst, bi welken sinne.
Dat niemen int hof wart in inne.
«Here», seit Floris, «des en doe ic niet,
3755 So wat vernoye so mi ghesciet.
3731-2 Legt hij er zeer weinig (versta :
geen) eer mee in, wanneer hij ze doodt,
al heeft hij het recht daartoe.
3733 Hij heeft hun leven in zijn hand
(versta: hij kan hun vergiffenis schenken).
3734 Ik verklaar bij God en bij mijn geloof.
3735 Dat dit (t.w. genade, vergiffenis
schenken) meer strookt met zijn eer.
3736 Dan mense verdade : dan wanneer
men ze zou doden.
3737 mach hem wachten echt Jeghen so ghe-
dane Ust : kan zich voortaan in acht nemen
voor een dergelijke list (versta: maat-
regelen nemen om herhaling te voor-
komen).
3738 voort: voorts.
3739 Jeghen : tegenover ; sonde ende moort :
versta: zonde van doodslag.
3740 Het lijkt me wijs (gehandeld), wan-
neer hij dat doet.
3741 Het is in elk opzicht eervol voor u.
3742 doet wel u ere: handel overeenkom-
stig uw eer.
3749 Te dien dat : mits.
3752 sinne: list.
3753 Zodat niemand in het paleis het
merkte.
3754 des : dat.
3755 Wat voor onheil me daardoor ook
moge wachten.
164
Ensi dat ghijs haerlijc verghevet,
Dier mi toe riet ende gheholpen hevet.
Of ghi over hem hebt ghewelt,
El ne werdet van mi ghetelt.»
3760 Doe vemuwede den ammirael sijn seer
Ende vermat hem, dat hi nemmermeer
Por niemens bede soude vergheven,
Si en souden beide verliesen haer leven.
Dat mochten si niet maken onder hem allen.
3765 Binnen dien so quam ghevallen
Een bisscop den ammirael te voeten
Met minüken woerden ende met soeten:
«Ammirael, here, nu eist dus comen:
Of mense verdoet, wat selt u vromen?
3770 Ghi siet, dat si slijfs niet roeken.
Dat uwe baroene an u soeken.
Dat dinct mi reden, dat ghijt doet.
Vergheeft hem lieden uwen evelen moet
Ende hem allen, die hem ghehulpich waren.
3775 Laet Floris segghen, hoe hi heeft ghevaren:
Het soude u becomen vele bat
Ende alle uwen marmen te hoeme dat
Dan te siene, dat mense verdade.
An hare doot laghe grote scade;
3780 Nie makede God so sconen lijf
3756 Tenzij gij eenieder vergiffenis
schenkt.
3758 Indien gij macht over hem hebt.
3759 Anders vertel ik het niet.
3760 Toen deed des emirs smart (be-
doeld is blijkbaar: gramschap) zich met
nieuwe kracht gevoelen.
3761 En hij verklaarde, dat hij onder geen
voorwaarde.
3762 Dor: krachtens.
3763 Si en: maar zij.
3764 Dat (t.w. dat hij vergiffenis zou
schenken) zouden ze met z'n allen niet
kunnen bewerken.
3765 Binnen dien so : intussen.
3768 Heer emir, de zaak Ugt nu zo.
3769 Wat heeft u er aan ze te doden.
3770 slijfs niet roeken : niets om hun leven
geven.
3771 Dat: wat; an u soeken: van u vra-
gen, u voorstellen.
3772 Het lijkt me juist, als gij dat doet.
3773 hem lieden : t.w. Floris en Blance-
floer; evelen moet: gramschap (Versta: de
oorzaak van uw gramschap; anders vatte
men vergheeft op als: leg af (tegenover
hen).
3776 becomen : behagen.
3778 verdade : doodde.
3780 Mc ; nooit.
165
No an man, alsi hadden, no an wijf,
Soe scone ghedane, so scone sede.»
Doe riepen die herai alle mede:
«Here, nadien dat aldus staet,
3785 So vergevet hem heiden die mesdaet
Ende verhoort uwer heren bede.
Want dat ware grote edelhede,
Dzt ghi ghenade hadt te desen».
Doe en wilde hi jeghen hem allen niet wesen,
3790 Om dat sijs so oemoedelike baden.
Den kindren ende diet hem hadden gheraden.
Vergaf hijt al, dies hadde hi lof
Van allen den ghenen, die waren int hof.
Doe saghen die kinder haren bliden dach.
3795 Herde minHc elc op andren sach.
Het was hem comen na haren wille.
Doe dede men maken een ghestille.
Floris beghan sijn ghesciente tellen
Voerden ammirael ende sine ghesellen,
3800 Dat sijt alle wel mochten horen.
Tierst telde hi, hoe si waren gheboren;
Hoe tilec haerlijc andren minde;
Hoe menne daer omme ter Montoriën sinde.
Dat hi daer soude ghaen ter scolen,
3805 Ende hoe si hem binnen dien wart verstolen;
Ende hoese sijn vader dede vercopen
Te Nicle ter marct, ende dede lopen
Die niemare, dat si ware doot;
3792 ghedane: gestalte; sede: manieren.
3784-8 De gecursiveerde versregels (in
het handschrift opengelaten) zijn aan-
vullingen van Leendertz.
3789 jeghen : tegen.
3790 oemoedelike: ootmoedig, nederig.
3793 hof: rechtszaal of paleis.
3795 Zeer lief (bedoeld is wel: gelukkig)
keken ze elkaar aan.
3797 een ghestille : stilte.
yj9S ghesciente tellen: lotgevallen te ver-
tellen.
3802 Hoe jong (vroeg) ze elkaar (al)
lief kregen.
3803 menne : men hem.
3805 iwnen dien: in die tijd; verstolen:
ontstolen, ontvoerd.
3807 lopen : verbreiden.
3808 niemare: gerucht.
166
Ende hoene sijn vader doe onboot;
3810 Ende hoe groten rouwe hi om haer dreef,
Dat hijs cume te Uve bleef,
Ende hijs die waerheit doe ghevreischte,
Ende hi haer volghde ende om haer eischte;
Hoe grote pine hi doeghde om hare mee,
3815 Meneghen anxt opt lant, menighen in der see;
Hoe hi te Babyloniën qiiam in die stat
Ende sinen waert om raet bat,
Ende hoe wel hi hem gheriet daer toe,
Ende hoe hi den portwerder verHstechde doe;
3820 Met sire haven, met sinen scatte
Vercreech hi an hem datte.
Dat menne met rosen inden corf droech.
Tierst dat hi des ghewoech.
Datten si twee dus hadden gedregen,
3825 Doe wonderde hem allen, dier waren jegen,
Ende damirael selve loech;
Ende hoe men hem te Clarise droech,
Toter wile dztse damirael vant,
Ende tswaert over hem hilt in die hant.
3830 Als hi gheënt hadde sine tale,
Ghinc hi bet naerre den ammirale
Ende viel opt erde hem te voete neder
Ende bat, dat hi hem ghave weder
3809 hoene: hoe hem onboot: ontbood.
3811 Dat het niet veel scheelde, of het
had zijn leven gekost.
3812 En hij toen achter de waarheid
kwam.
3813 om haer eischte : (overal) navraag
naar haar deed.
3814 pine: moeite; doeghde: verduurde;
mee: ook.
3818 En hoe goed hij hem daarin raadde
(of: hielp).
3819 En hoe hij daarop de portier ver-
schalkte.
3820 Met zijn geld en goed.
3821 an: van.
3822 menne: men hem; droech: t.w. naar
boven in de toren.
3823 Toen hij (dit) vertelde.
3824-8 De gecursiveerde woorden (die
niet in het handschrift voorkomen) zijn
aanvullingen van M. de Vries.
3824 Dat twee (mannen) hem zo (naar
boven) hadden gedragen.
3825 jegen : aanwezig.
3828 Toter wile: tot het moment.
3829 over hem : boven hen.
3831 Ghinc hi bet naerre : trad hij nader toe.
167
Daer hi dor doeghde so grote pine,
3835 Ende seide, hi hadde liever te sine
In groten tormente ende te stervene
Dan levende Blancefloeren te dervene.
Nu moeghdi horen grote edelhede,
Die dammirael an Florise dede,
3840 Alle diet saghen warens bHde:
Hi dede sitten neven sire side,
Blancefloere dede hi comen te hem
Ende namse bider hant ende seide: «Vrient, nem,
Hier ghevic di weder dese joncfrouwe
3845 Ende beveelse di op dine trouwe.
U beiden ghevic lijf ende lede,
Dor Gode ende der heren bede
Blijfdi verlost van groten lede.»
Doe vielen si hem te voete bede.
3850 Hi cussese ende deedse op staen.
Florise maecte hi ridder saen.
Als men daer plach int lant.
Blancefloere dede hi nemen te hant
Ende leiden te monstre met groter eren.
3855 Beide der vrouwen ende der heren
Volgheden hem utermaten vele,
Doe ontboet hi Clarise haer ghespele.
Dat hise te wive nemen woude
Ende te haerre beider live houden soude,
3860 Ende deedse cronen herde eerlike
3834 Om wie hij zoveel moeite had door-
staan.
3836 tormente: pijnjvendc: en (dan).
3837 levende : versta : te Wijven leven en.
3838 edelhede : edelmoedigheid.
3840 warens: waren er over.
3841 neven sire side : naast zich.
3843 nem : neem.
3845 beveelse di: vertrouw haar aan je toe.
op: in het vertrouwen op.
3850 cussese : kuste ze.
3851 saen: terstond.
3852 Volgens het gebruik van dat land.
3854 monstre : (kloosterkerk.
3855 Beide der . . . ende der: zowel (van) . .
als (van).
3857 Toen deelde hij haar vriendin Claris
mee.
3859 En zou houden, zolang ze beiden
leefden.
3860 herde eerlike : luisterrijk.
168
Ende makese vrouwe vanden rike
Voer die heren ende sine ghenote.
Daer maectemen brulochte grote.
Daer waren speel mannen vergadert vele
3865 Met menigher manieren van snaer spele,
Vedelen, gigen, herpen, roten.
Met soeten gheclanke ende met soeten noten.
Beide inden palaise ende daer uut
Was groot gheclanc ende gheluut.
3870 Daer was ghegheven menich rijclic cleet.
Binnen dien was dat eten ghereet
Met dieren gherechten ende dies ghenoech.
Men eisschede water ende men dwoech.
Die ammirael ghinc sitten inde scoenste stede,
3875 Opt rikeHcste sitten, ende hi dede
Neven hem sitten sijn wijf Clarise;
Blancefloere die hovessche entie wise
Dede hi sitten bander side.
Neven haer sat Floris vro ende bÜde.
3880 Daer was vol hof ende brulocht groot.
Daer ne hadde niement wenschens noot.
Die daer ten etene waren gheseten.
Men brachte hem vort ghedichte eten;
Inne can ghenomen elc gherecht.
3885 Al sonder garsoen ende knecht.
Die daer vele waren utermaten.
3861 makese : maakte haar ; vrouwe : lands-
vrouwe, meesteres.
3862 ghenote : rijksgroten.
3866 Violen, luiten, harpen, gitaren.
3S67 gheclmke : muziek; noten: tonen,
melodieën.
3868 Binnen en buiten het paleis.
3870 rijclijc: kostbaar, fraai.
3872 dieren: kostelijke, uitgezochte; dies:
daarvan.
3873 eisschede : vroeg (om) ; dwoech :
waste (t.w. de handen).
3874 stede : plaats.
3875 sitten : zetel.
3878 bander: aan zijn andere.
3880 vol hof: (een) feest in optima forma.
3881 Daar bleef voor niemand iets te
wensen over.
3883 Men bediende hen zonder onder-
breking.
3884 Inne can ghenomen : ik kan niet
noemen.
3885 De (gewone) bedienden niet mee-
gerekend.
169
So dienden daer wel hondert drossaten,
Hondert spindren, hondert bottelgiere.
So rijclic eten noch so diere
3890 Ne was nie ghereet tenen hove,
No so scone ghedient, no so wel te love.
Daer was als ghenoech, wilt ende tam:
So wat so eiken wel bequam,
Des dede men hem te vollen bringhen.
3895 Der goudine coppen daer vele gingen
Met dieren clareite ende al omme te stride
Met morate, met wine an elke side.
Dat wilde God niet, dat iement soude
Uut nappen drinken, hi ne waer van goude.
3900 Binnen dien dat si dus saten
Met groter bliscap ende aten,
Quamen twee riddren, die Floris sochten
Met seghelen ende met brieven, die si brochten.
Ghestadelike quamen si ende met sinne.
3905 Den ammirael grueten si ten iersten beghinne;
Daer na seiden si groot saluut
Florise, daer si omme quamen uut,
Ènde seiden hem, dat beide gader
Doot waren moeder ende vader.
3910 «Here», seggen si, «hoort wat u onbieden
3887 drossaten : hofmeesters.
3888 spindren : spijsmeesters ; bottelgiere :
schenkers.
3889-90 Zulke kostbare en uitgezochte
gerechten waren (nog) nooit op een (hof-
feest geserveerd.
3891 wel te love: uitnemend.
3892 a/s: van alles.
3893 Ah iemand iets aanstond, wat het
ook was.
3894 Des : daarvan ; te vollen : volop.
3895 Veel gouden (drink)bekers gingen
daar rond.
3896-7 Met uitgezochte kruidenwijn en
al evenveel met moerbeienwijn, met
(druiven)wijn overal.
3898 Dat wilde God niet: het kwam niet
te pas, was niet betamelijk.
3899 nappen: bekers (versta: een beker);
hi ne waer van goude : die niet van goud
was.
3900-1 Terwijl ze zo feestelijk aan tafel
zaten.
3903 seghelen ende met brieven : gezegelde
brieven.
3904 Ghestadelike : waardig; met sinne:
Blijkens het verband hier : zoals het hoor-
de, volgens de (hoofse) etiquette.
3905 ten iersten beghinne : vóór alles.
3906 Vervolgens groetten ze plechtig.
3910 onbieden : verzoeken.
170
U man entie hoechste van uwen lieden,
Die ons te lanc waren te noemene nu:
Si bidden herde ende onbieden u,
Dat ghi te lande comt haestelike
3915 Te berechten u lant ende u rike.»
Doe Floris vernam sijns vader doot
Ende siere moeder, doe hadde hi rouwe groot.
Beide hi ende Blancefloer hadden groot seer,
Elc dier waren droefden te meer.
3920 Si keerden weder ten ammirale
Al wenende met soeter tale
Ende baden orlof te lande te veme.
Dammirael hadse onthouden gheme
Ende bat vriendelike, dat si bleven,
3925 Hi soude hem al, des si behoefden, gheven.
Florijs seide, no scat, no have,
No goet ne gheen, dat men hem gave.
En mochten int lant niet behouden.
Alse dammirael vernam, dat sine wouden
3930 Te hem niet bliven, wi vinden ghescreven.
Dat hi Florise te sire vaert dede gheven
Van sinen silvere ende van sinen goude
50 vele, dat hijs nemmeer en woude.
51 ghereeden hem ende namen orlof
3935 An alle die ghene, die waren int hof
Hem allen jammerde die daer waren,
Daer sise uten palaise saghen varen,
Ende bevalen Gode haer lijf ende haer ere.
3911 man: vazallen.
3914 te lande comt: terugkeert.
3915 berechten : besturen, regeren.
3919 dier: van hen die er; droefden : waren
bedroefd.
3920 keerden : wendden, richtten zich.
3922 En vroegen verlof (naar huis) terug
te keren.
2923 onthouden : (bij zich) gehouden.
3925 des: wat.
3926 no scat, no have : geld noch goed.
3927 No goet ne gheen : noch wat ook
(eig. : welk goed ook).
3928 En mochten . . . niet : kon hem niet.
3930 Te: bij.
3931 te sire vaert : voor zijn reis.
3933 Zoveel als hij maar begeerde.
3934 Zij maakten zich reisvaardig en
namen afscheid.
3938 Ze groetten hen beleefd (eig. : be-
valen hun leven en hun eer in Gods
hoede aan).
171
Floris voer wech verdroevet sere,
3940 Om dat beide gader
Doot waren moeder ende vader,
Ende andersins blide, dat Blancefloer
Met hem weder te lande voer.
Sonder lachter voerde hise ende scande
3945 Te Spaengen binnen sinen lande.
Daer was hi wülecome ende wel ontfaen.
Alt conincrike wart hem onderdaen.
Doe waest hem co men herde scone.
Sine man daden hem draghen crone
3950 Ende maecten coninc ende conincinne sijn wijf.
Die hi minde vor al sijn selfs lijf.
Om dat Blancefloer ooc kersten was,
Gheliefde hem ende luste das.
Dat hi wart kersten ende hem dopen dede
3955 Ende al tvolc van sinen lande mede.
Sint versterf hem al Hongerie
Van enen sinen oom ende al Bulgerie:
Dus hoghe quam hi in sinen live.
Ene dochter haddi bi sinen wive,
3960 Daer wi een deel of seggen moeten,
Baerte hietsi metten breden voeten,
Maer des en sel niet vele zijn.
Die nam te wive die coninc Puppijn,
Een gheweldich coninc, ende wan an hare
3939 verdroevet: bedroefd.
3942 anJersirts : anderzijds ; dat : omdat.
3943 te lande voer : terugkeerde.
3944 Sonder lachter . . . ende scande : zon-
der smaad of schande (versta: zonder
moeilijlcheden op de reis te ondervinden).
3948 Toen had hij, wat hij begeerde? Of:
toen was alles ten goede gekeerd?
3949 Zijn vazallen kroonden hem.
3950 maecten ; maakten hem.
3951 Die hij meer dan zichzelf liefhad.
3952 kersten : christin.
3953 Behaagde het hem.
3956 Sint versterf: nadien viel hem bij erfe-
nis ten deel.
3957 enen sinen oom : een oom van hem.
3960 een deel: iets.
3961 Bertha, heette ze, met de grote
voet(en) ; bedoeld is Bertha of Berthrada,
overleden 2 juli 783, dochter van Chari-
bert, graaf van Laon, echtgenote van
Pepijn de Korte en moeder van Karei de
Grote.
3962 Te verbinden met 3960; des: dat.
3964 gheweldich : machtig.
172
3965 Een kint, daer vele af te segghen ware,
Dat was die coninc Kaerle van Vrankerike,
Die menighen borch wan gheweldelike.
Hier salie enden dese aventure.
Blancefloer wart Florise sere te sure,
3970 Hi pijnder hem om, God halper hem toe,
So moete hi ons spade ende vroe.
Dat wi alle onse daden te goeden dingen
Ten jonxten daghe moeten bringen.
Amen.
3%7 borch : burcht ; gheweldelike : met ge-
weld, door 2ijn kracht.
3968 aventure: verhaal.
3959 Floris heeft heel wat om Blancefloer
moeten verduren.
3970 Hij heeft er zich voor ingespannen,
(maar) God hielp hem er bij.
3971 moete: moge.
3972 te goeden dingen : tot een goed einde.
3973 moeten : mogen.
173
O
O
w